Romeinen 4 is een centraal onderdeel in Paulus’ brief aan de Romeinen waarin hij diep ingaat op de betekenis van geloof, rechtvaardigheid en de belofte van God. Aan de hand van het voorbeeld van Abraham legt Paulus uit dat rechtvaardigheid niet voortkomt uit werken of het onderhouden van de wet, maar uit geloof. Deze uitleg vormt een belangrijk fundament voor het christelijk geloof.
Rechtvaardiging door geloof, niet door werken
Paulus stelt een fundamentele vraag: “Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees?” (Rom. 4:1). Hij wijst erop dat, als Abraham gerechtvaardigd zou zijn door zijn daden, hij iets had om zich op te beroemen—maar niet tegenover God.
Paulus benadrukt dat de Schrift duidelijk maakt: “Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend” (Rom. 4:3). Het is niet de prestatie van Abraham die hem rechtvaardig maakte, maar zijn geloof in God. Dit principe is niet alleen op Abraham van toepassing, maar ook op iedereen die in God gelooft.
Paulus legt uit dat een werkende arbeider zijn loon ontvangt als een verdiende beloning. Geloof daarentegen wordt gerekend als gerechtigheid zonder dat er sprake is van verdienste. De rechtvaardiging is dus een gave, geen verdienste.
David bevestigt de rechtvaardiging door geloof
Om zijn punt te onderbouwen, haalt Paulus Psalm 32 aan. David prijst daarin de mens zalig “wie de ongerechtigheden vergeven zijn en wiens zonden bedekt zijn” (Rom. 4:7). Ook hier is geen sprake van verdienste: God rekent de zonde niet toe op basis van werken, maar op basis van vergeving. Zo laat Paulus zien dat zowel Abraham als David getuigen van hetzelfde principe: gerechtigheid is een gave van God aan hen die geloven.
Is deze zaligheid alleen voor de besnedenen?
Paulus vraagt zich af of deze gezegende status alleen geldt voor de besnedenen (de Joden), of ook voor de onbesnedenen (de niet-Joden). Hij herhaalt dat Abraham zijn geloof al als gerechtigheid werd gerekend voordat hij besneden was.
Hiermee wordt duidelijk dat Abraham vader is van alle gelovigen, zowel besneden als onbesneden. Zijn besnijdenis was slechts een “zegel” van de gerechtigheid die hij al door geloof bezat. Zo wordt Abraham een geestelijk vader voor allen die op dezelfde wijze geloven, ongeacht hun afkomst of achtergrond.
Geloof gaat aan de wet vooraf
Paulus maakt een belangrijk onderscheid tussen de wet en de belofte. Hij stelt dat Abraham de belofte om erfgenaam van de wereld te zijn, niet door de wet heeft ontvangen, maar door de gerechtigheid van het geloof (Rom. 4:13). Als het ontvangen van Gods belofte afhankelijk was van de wet, dan zou het geloof zijn kracht verliezen, en de belofte zou haar betekenis verliezen.
De wet leidt tot toorn (Rom. 4:15), maar waar geen wet is, is ook geen overtreding. Daarom is het verkrijgen van de belofte gebaseerd op geloof, zodat het genade kan zijn — en vast voor al het nageslacht, niet alleen voor hen die onder de wet zijn, maar ook voor hen die hetzelfde geloof hebben als Abraham.
Abraham: voorbeeld van geloof in het onmogelijke
Paulus beschrijft het geloof van Abraham als onwankelbaar. Ondanks het feit dat hij en Sara oud waren en lichamelijk gezien geen kinderen meer konden krijgen, twijfelde hij niet aan Gods belofte. Hij verzwakte niet in het geloof, en hij gaf God eer, terwijl hij volledig overtuigd was dat God bij machte was te doen wat Hij beloofd had (Rom. 4:20–21).
Juist dit vertrouwen werd hem als gerechtigheid toegerekend. Het was niet de omstandigheden die Abraham leidde, maar zijn vaste geloof in Gods woorden.
De toepassing op gelovigen vandaag
Paulus sluit af door te stellen dat de woorden “het werd hem toegerekend” niet alleen over Abraham geschreven zijn, maar ook voor ons. Wij die geloven in Hem “Die Jezus onze Heere uit de doden heeft opgewekt” (Rom. 4:24), zullen ook rechtvaardig verklaard worden.
Jezus werd overgeleverd om onze zonden, en opgewekt tot onze rechtvaardiging. Dat betekent dat de opstanding van Christus het bewijs is dat onze zonden volledig zijn vergeven, en dat wij vrij voor God mogen staan—niet op grond van ons werk, maar door geloof.
Conclusie
Romeinen hoofdstuk 4 leert ons dat rechtvaardiging niet komt door het houden van regels, werken, of uiterlijke kenmerken zoals de besnijdenis, maar door geloof alleen. Abraham, die leefde vóór de wet, werd gerechtvaardigd omdat hij God geloofde. Zijn leven is een voorbeeld voor iedereen die vandaag in Christus gelooft. Door geloof ontvangen wij vergeving, genade, en de zekerheid dat wij rechtvaardig zijn voor God.
Romeinen 4
1 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees?
2 Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God.
3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.
4 Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.
5 Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
6 Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;
7 Zeggende: Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn;
8 Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent.
9 Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.
10 Hoe is het hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was, of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.
11 En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend; opdat hij zou zijn eenvader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde;
12 En een vader der besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vaderAbraham, hetwelk in de voorhuid was.
13 Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheiddes geloofs.
14 Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.
15 Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.
16 Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahamsis, welke een vader is van ons allen;
17 (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt,en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;
18 Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad wezen.
19 En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was, alzo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ookdat de moeder in Sara verstorven was.
20 En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer;
21 En ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen.
22 Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend.
23 Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is;
24 Maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, namelijk dengenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onzen Heere, uit de doden opgewekt heeft;
25 Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.









