Jeremia 1 vormt de opening van het profetische boek Jeremia en introduceert de roeping van de profeet Jeremia door God. Het hoofdstuk geeft inzicht in wie Jeremia is, wanneer hij leefde, en welke taak hem werd toevertrouwd. De tekst laat zien hoe God Jeremia roept vanaf zijn jeugd, en hem voorbereidt om moeilijke waarheden te spreken tegen een weerspannig volk. Dit alles gebeurt onder de bescherming en leiding van God. Jeremia’s verhaal begint niet met zekerheid, maar met twijfel – een herkenbare reactie die velen aanspreekt.
De tijd en plaats van Jeremia
De profeet Jeremia wordt voorgesteld als een zoon van Hilkia, een priester uit Anatoth, in het gebied van Benjamin. Hij leefde in een tijd van grote politieke en geestelijke onrust in Juda, het zuidelijke koninkrijk van Israël. Jeremia’s bediening begon “in de dagen van Josia, de zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering” (ca. 627 v.Chr.), en strekte zich uit over de heerschappijen van Josia, Joäkim, en tot het elfde jaar van koning Zedekia, vlak vóór de Babylonische ballingschap in 586 v.Chr.
Deze tijdsaanduiding benadrukt dat Jeremia’s boodschap zich uitstrekte over meerdere koningen en een cruciale periode besloeg in Israëls geschiedenis: het uiteenvallen van het koninkrijk Juda. Jeremia leefde in een turbulente tijd waarin afgodendienst, moreel verval en politieke bedreigingen van Babylon en Egypte elkaar afwisselden. Zijn profetieën zijn dus nauw verbonden met deze historische context.
Gods roeping en Jeremia’s antwoord
De goddelijke roeping
Jeremia 1:5 is een sleutelvers dat Gods soevereine keuze en voorbestemming benadrukt:
“Eer Ik u in den buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; Ik heb u tot een profeet voor de volken gesteld.”
Deze woorden zijn krachtig. God laat Jeremia weten dat zijn roeping niet voortkomt uit zijn eigen keuze, noch uit de wens van anderen – het was Gods plan vanaf het begin. Dit geeft Jeremia een diepere identiteit, geworteld in Gods bedoeling met zijn leven.
Jeremia’s terughoudendheid
Jeremia reageert met tegenzin. Hij zegt: “Ach, Heere HEERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben een kind.” (vers 6). Dit is geen letterlijke verwijzing naar zijn leeftijd, maar een uitdrukking van onzekerheid en gevoel van ongeschiktheid. Hij voelt zich niet capabel om tegen het volk te spreken, zeker niet tegen leiders en koningen.
God bemoedigt
God negeert Jeremia’s bezwaren niet, maar biedt directe bemoediging:
“Wees niet bevreesd voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden.” (vers 8)
Daarna raakt God symbolisch Jeremia’s mond aan en zegt:
“Zie, Ik heb Mijn woorden in uw mond gegeven.” (vers 9)
Zo bevestigt God dat Jeremia Zijn vertegenwoordiger is. Zijn taak: bouwen en afbreken, planten en uitrukken (vers 10). Dit duidt op zowel oordeel als herstel – Jeremia’s woorden zullen diepe gevolgen hebben.
De eerste visioenen en opdracht
Het amandelhout
God toont Jeremia eerst een visioen van een “roede van een amandelhout”. God legt uit:
“Gij hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.” (vers 12)
Het Hebreeuwse woord voor “amandelboom” (שָׁקֵד, shaqed) klinkt als het woord voor “wakker zijn” (שׁוֹקֵד, shoqed). God speelt bewust met deze woorden: net zoals de amandelboom als eerste bloeit in het voorjaar, zo zal God snel en waakzaam Zijn woord vervullen.
De kokende pot
Vervolgens ziet Jeremia een “kokende pot” die zich naar het noorden opent (vers 13). God legt uit dat uit het noorden onheil zal komen – verwijzend naar het Babylonische rijk dat Juda zal binnenvallen en straffen voor hun afgoderij en ongehoorzaamheid.
Jeremia’s moeilijke taak
Vanaf vers 17 wordt Jeremia krachtig aangespoord:
“Gij dan, omgord uw lenden, en maak u op, en spreek tot hen alles wat Ik u gebieden zal.” (vers 17)
God weet dat Jeremia weerstand zal ondervinden. Daarom belooft Hij in vers 18:
“Want Ik, zie, Ik maak u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het ganse land.”
Een indrukwekkend beeld. God geeft Jeremia innerlijke kracht en standvastigheid – niet lichamelijk, maar geestelijk en moreel. Hij zal moeten standhouden tegen koningen, priesters en het volk zelf. Maar God sluit af met een belofte:
“Ik ben met u, om u te redden.” (vers 19)
Conclusie: Jeremia 1 in perspectief
Jeremia 1 is niet zomaar een historisch begin. Het is een spiegel voor iedereen die zich geroepen weet door God maar aarzelt uit angst, onzekerheid of zwakte. Jeremia’s verhaal begint met twijfel, maar Gods antwoord is liefdevol, krachtig en bemoedigend.
God roept nog steeds mensen op, niet omdat ze perfect zijn, maar omdat Hij met hen is. Net als bij Jeremia, is God ook met ons – als we bereid zijn te luisteren en te gehoorzamen.
Jeremia 1
1 De woorden van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de priesteren, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;
2 Tot welken het woord des HEEREN geschiedde, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering.
3 Ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, totdat voleind werd het elfde jaar van Zedekia, zoon van Josia, koning van Juda; totdatJeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand.
4 Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
5 Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een profeet gesteld.
6 Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.
7 Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken.
8 Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE.
9 En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
10 Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.
11 Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Ik zie een amandelroede.
12 En de HEERE zeide tot mij: Gij hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.
13 En des HEEREN woord geschiedde ten tweeden male tot mij, zeggende: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel tegen het noorden is.
14 En de HEERE zeide tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners des lands.
15 Want zie, Ik roep alle geslachten der koninkrijken van het noorden, spreekt de HEERE; en zij zullen komen, en zetten een iegelijk zijn troon voor de deur der poorten vanJeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda.
16 En Ik zal Mijn oordelen tegen hen uitspreken over al hun boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en anderen goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de werken hunnerhanden.
17 Gij dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.
18 Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het ganse land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haarpriesteren, en tegen het volk van het land.









