
Romeinen 15 vormt een belangrijk onderdeel van Paulus’ brief aan de gemeente in Rome. Hij richt zich op de eenheid tussen gelovigen, zowel Joden als heidenen, en benadrukt het belang van volharding, hoop en liefde. Christus staat centraal als voorbeeld van dienstbaarheid. Paulus moedigt de gelovigen aan om elkaar te ondersteunen, vreugde te vinden in de Schrift, en elkaar te aanvaarden zoals Christus hen aanvaard heeft. Daarnaast deelt Paulus zijn missieplannen en vraagt hij om voorbede. Dit hoofdstuk vormt zo een brug tussen praktische geloofstoepassing en Paulus’ persoonlijke bediening.
Elkaar dragen in liefde
Paulus opent met een oproep: de sterken in het geloof moeten de zwakken dragen, en niet zichzelf behagen. Dit betekent dat gelovigen hun eigen vrijheid niet mogen misbruiken ten koste van anderen. Christus zelf wordt hierbij als voorbeeld gesteld: Hij leefde niet voor zichzelf, maar nam de lasten van anderen op zich.
Door dit beginsel laat Paulus zien dat ware geestelijke kracht niet draait om zelfverheffing, maar om nederigheid en opoffering.
De Schrift als bron van hoop
Paulus wijst de gemeente op de waarde van de Schriften. Alles wat tevoren geschreven is, heeft een doel: ons leren volharden, troost ontvangen en hoop vinden. De Bijbel is dus geen oude verzameling teksten, maar een levende bron van bemoediging.
Hij bidt dat God, de “God van lijdzaamheid en vertroosting”, de gelovigen een eensgezind hart zal geven, zodat zij eendrachtig God kunnen verheerlijken.
Elkaar aanvaarden zoals Christus ons aanvaardt
Een kerntekst in dit hoofdstuk is Paulus’ oproep om elkaar te aanvaarden, zoals Christus ook de gelovigen aangenomen heeft tot eer van God. Hij legt uit dat Christus gekomen is om de beloften aan de Joden te bevestigen, maar ook om barmhartigheid te bewijzen aan de heidenen.
Paulus onderbouwt dit met meerdere oudtestamentische citaten, waarin duidelijk wordt dat de volken samen met Israël God zullen loven. Dit benadrukt de universele reikwijdte van het evangelie.
Vervulling door de Heilige Geest
Paulus bidt dat de gelovigen “vervuld mogen worden met alle blijdschap en vrede in het geloven”, zodat zij overvloedig zullen zijn in de hoop door de kracht van de Heilige Geest. Hoop is hier niet oppervlakkig optimisme, maar een vast vertrouwen op Gods beloften, gedragen door de Geest.
Paulus’ bediening en roeping
Vervolgens schrijft Paulus over zijn eigen bediening. Hij noemt zichzelf een “dienaar van Christus Jezus onder de heidenen”. Zijn taak is om het evangelie te verkondigen, zodat de heidenen als een welgevallig offer aan God gewijd zouden zijn.
Paulus beroemt zich niet op zijn eigen kracht, maar op wat Christus door hem gedaan heeft. Hij benadrukt dat wonderen en tekenen de verkondiging van het evangelie bevestigd hebben.
Zijn missieplannen
Paulus vertelt dat hij van Jeruzalem tot aan Illyricum het evangelie verspreid heeft. Hij zocht altijd nieuwe gebieden op waar Christus nog niet bekend was, zodat hij niet bouwde op het fundament van een ander.
Daarna deelt hij zijn verlangen om naar Rome te komen, onderweg naar Spanje. Hij wil de Romeinse gelovigen ontmoeten, met hen gemeenschap hebben, en door hen verder geholpen worden op zijn zendingsreis.
Dienst voor de heiligen in Jeruzalem
Voordat Paulus naar Rome kan reizen, moet hij eerst naar Jeruzalem. Daar zal hij de liefdegaven brengen die door de gemeenten van Macedonië en Achaje ingezameld zijn voor de armen onder de heiligen. Dit laat zien hoe sterk de verbondenheid tussen de gemeenten was.
Paulus benadrukt dat heidenen geestelijk delen in de zegen van Israël, en daarom ook materieel hun steun moeten betuigen.
Oproep tot voorbede
Tot slot vraagt Paulus om gebed. Hij wil verlost worden van de ongelovigen in Judea en dat zijn dienst in Jeruzalem welgevallig zal zijn. Ook hoopt hij met vreugde naar Rome te kunnen komen, “door de wil van God”.
Hij sluit af met de wens dat de “God van vrede” met hen allen zal zijn.
Conclusie
Romeinen 15 leert ons dat christelijk leven geworteld is in wederzijdse liefde, Schriftuurlijke hoop, en de kracht van de Heilige Geest. Paulus laat zien dat het evangelie alle grenzen overstijgt en dat gelovigen, ongeacht achtergrond, geroepen zijn tot eenheid. Zijn persoonlijke plannen maken duidelijk hoe missionair en dienend zijn leven was.
Het hoofdstuk eindigt met een krachtige oproep tot gebed en een zegen van vrede – een passend slot voor dit gedeelte van de brief.
Romeinen 15
| 1 | Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen. |
| 2 | Dat dan een iegelijk van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting. |
| 3 | Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen. |
| 4 | Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden. |
| 5 | Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus; |
| 6 | Opdat gij eendrachtelijk, met een mond, moogt verheerlijken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. |
| 7 | Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods. |
| 8 | En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen; |
| 9 | En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naamlofzingen. |
| 10 | En wederom zegt Hij: Weest vrolijk, gij heidenen met Zijn volk! |
| 11 | En wederom: Looft den Heere, al gij heidenen, en prijst Hem, al gij volken! |
| 12 | En wederom zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen. |
| 13 | De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des HeiligenGeestes. |
| 14 | Doch, mijn broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen. |
| 15 | Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom dit indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is; |
| 16 | Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam worde,geheiligd door den Heiligen Geest. |
| 17 | Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan. |
| 18 | Want ik zou niet durven iets zeggen, hetwelk Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken; |
| 19 | Door kracht van tekenen en wonderheden, en door de kracht van den Geest Gods, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie vanChristus vervuld heb. |
| 20 | En alzo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fondament zou bouwen; |
| 21 | Maar gelijk geschreven is: Denwelken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en dewelke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan. |
| 22 | Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te komen. |
| 23 | Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen, |
| 24 | Zo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van uliedertegenwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn. |
| 25 | Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen. |
| 26 | Want het heeft dien van Macedonie en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn. |
| 27 | Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zijook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. |
| 28 | Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen. |
| 29 | En ik weet, dat ik, tot u komende, met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal. |
| 30 | En ik bid u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij; |
| 31 | Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen; |
| 32 | Opdat ik met blijdschap, door den wil van God, tot u mag komen, en met u verkwikt worden. |
| 33 | En de God des vredes zij met u allen. Amen. |








