Handelingen 9 beschrijft een belangrijk moment in de geschiedenis van het vroege christendom: de radicale bekering van Saul. Dit hoofdstuk laat zien hoe God iemand totaal kan veranderen, zelfs iemand die bekend stond als vijand van de kerk. Sauls ontmoeting met Jezus op de weg naar Damascus is het begin van zijn reis als de apostel Paulus. Daarnaast wordt verteld over de groei van de jonge kerk en de rol van Petrus. Dit hoofdstuk benadrukt thema’s van bekering, gehoorzaamheid, geloof en Gods leiding.
De bekering van Saul
Saul op weg naar Damascus
Saul, een bekende vervolger van de volgelingen van Jezus, was op weg naar Damascus met toestemming van de hogepriester om christenen gevangen te nemen. Zijn reputatie als gewelddadige tegenstander van de gemeente maakte hem gevreesd bij de gelovigen.
Jezus verschijnt aan Saul
Onderweg wordt Saul plotseling omschenen door een fel licht uit de hemel. Hij valt op de grond en hoort een stem zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?” Wanneer hij vraagt wie er spreekt, antwoordt de stem: “Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt.” Deze ontmoeting is een keerpunt. Saul is drie dagen blind, eet en drinkt niet, en wacht in Damascus.
Ananias’ roeping en gehoorzaamheid
Ananias krijgt een opdracht
In Damascus ontvangt Ananias, een discipel, van de Heer de opdracht om naar Saul te gaan en hem de handen op te leggen, zodat hij weer zien kan. Ananias is bang, omdat hij van Sauls reputatie heeft gehoord. Maar God verzekert hem dat Saul een uitverkoren werktuig is om Zijn naam te verkondigen aan heidenen, koningen en Israëlieten.
Genezing en doop
Ananias gehoorzaamt. Hij legt Saul de handen op en noemt hem “broeder Saul”. Meteen vallen er als het ware schubben van Sauls ogen, en hij kan weer zien. Hij staat op, wordt gedoopt en eet om zijn krachten terug te krijgen. Deze daad markeert het begin van zijn bediening.
Sauls eerste prediking en reactie van de Joden
Verkondiging in Damascus
Na zijn bekering begint Saul direct te prediken in de synagogen, verkondigend dat Jezus de Zoon van God is. Dit wekt verbazing, want velen kennen hem als vervolger van de gelovigen. Zijn radicale ommekeer is zowel verwarrend als indrukwekkend.
Joodse vijandigheid
Sauls prediking roept al snel verzet op. De Joden beramen een plan om hem te doden. De discipelen helpen hem te ontsnappen door hem ’s nachts in een mand door een opening in de stadsmuur te laten zakken.
Aankomst in Jeruzalem en acceptatie
Ontmoeting met de apostelen
In Jeruzalem zijn de discipelen eerst bang voor Saul. Ze geloven niet dat hij echt een volgeling van Jezus is geworden. Barnabas neemt het echter voor hem op. Hij vertelt hoe Saul Jezus heeft ontmoet en hoe hij vrijmoedig het evangelie heeft verkondigd.
Dreiging en vertrek naar Tarsus
Saul begint ook in Jeruzalem met prediken, met name tot de Griekssprekende Joden. Wanneer ook daar moordplannen ontstaan, brengen de broeders hem naar Caesarea, vanwaar hij vertrekt naar Tarsus. Zo keert er rust terug in de gemeenten.
Groei van de gemeente
Handelingen 9 beschrijft een periode van opbouw voor de kerk. De gemeenten in Judea, Galilea en Samaria leven in vrede, worden versterkt, wandelen in de vreze des Heren en nemen toe door de vertroosting van de Heilige Geest.
Wonderen door Petrus
Genezing van Eneas in Lydda
Petrus reist door het land en komt in Lydda bij Eneas, een verlamde man die al acht jaar bedlegerig is. Petrus zegt: “Eneas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en maak uzelf het bed op.” Eneas staat onmiddellijk op. Velen in Lydda en Saron keren zich tot de Heer.
Opwekking van Dorkas in Joppe
In Joppe overlijdt een geliefde vrouw, Tabitha (ook Dorkas genoemd). De discipelen horen dat Petrus in de buurt is en laten hem roepen. Petrus knielt, bidt en zegt: “Tabitha, sta op!” Ze opent haar ogen en staat op. Dit wonder wordt wijd verspreid bekend en velen geloven in de Heer.
Conclusie
Handelingen 9 laat zien hoe God werkt door mensen en omstandigheden heen. Sauls bekering laat zien dat niemand buiten het bereik van Gods genade valt. Ananias leert gehoorzamen ondanks zijn vrees. De vroege kerk groeit ondanks weerstand. En door de bediening van Petrus worden mensen genezen, versterkt en tot geloof gebracht. Dit hoofdstuk toont de kracht van het evangelie: het verandert levens, het wekt vertrouwen, en het roept op tot dienstbaarheid.
Handelingen 9
1 En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de hogepriester,
2 En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.
3 En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel;
4 En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?
5 En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
6 En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.
7 En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.
8 En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus.
9 En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.
10 En er was een zeker discipel te Damaskus, met name Ananias; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heere!
11 En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.
12 En hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij wederom ziende werd.
13 En Ananias antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;
14 En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen.
15 Maar de Heere zeide tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israëls.
16 Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.
17 En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zeide hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.
18 En terstond vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende; en stond op, en werd gedoopt.
19 En als hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren.
20 En hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.
21 En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie dezen Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zou brengen tot de overpriesters?
22 Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is.
23 En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden te zamen raad, om hem te doden.
24 Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem doden mochten.
25 Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in een mand.
26 Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was.
27 Maar Barnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun, hoe hij op den weg den Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had; en hoe hij te Damaskus vrijmoediglijk gesproken had in den Naam van Jezus.
28 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem;
29 En vrijmoediglijk sprekende in den Naam van den Heere Jezus, sprak hij ook, en handelde tegen de Griekse Joden; maar deze trachtten hem te doden.
30 Doch de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesarea, en zonden hem af naar Tarsen.
31 De Gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd.
32 En het geschiedde, als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden.
33 En aldaar vond hij een zeker mens, met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was.
34 En Petrus zeide tot hem: Eneas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op.
35 En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, dewelke zich bekeerden tot den Heere.
36 En te Joppe was een zekere discipelin, met name Tabitha, hetwelk overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed.
37 En het geschiedde in die dagen, dat zij krank werd en stierf; en als zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal.
38 En alzo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zou vertoeven tot hen over te komen.
39 En Petrus stond op, en ging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden. En al de weduwen stonden bij hem, wenende, en tonende de rokken en klederen, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was.
40 Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad: en zich kerende tot het lichaam, zeide hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij over einde.
41 En hij gaf haar de hand, en richtte haar op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor hen.
42 En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in den Heere.
43 En het geschiedde, dat hij vele dagen te Joppe bleef, bij een zekeren Simon, een lederbereider.









