Handelingen 28 beschrijft het slot van Paulus’ reis zoals opgetekend door Lucas. Dit hoofdstuk voert de lezer van schipbreuk tot Rome, waar Paulus onder huisarrest het evangelie blijft verkondigen. Het is een verhaal vol vertrouwen op God te midden van gevaar, genezing van zieken en een ongekende openheid om het goede nieuws met iedereen te delen. Het laat zien hoe het evangelie van Jezus Christus vanuit Jeruzalem tot in het hart van het Romeinse rijk klinkt.
Schipbreuk en redding op Malta
Paulus en de andere schipbreukelingen bereiken het eiland Malta nadat hun schip in stukken is geslagen. De inwoners tonen grote vriendelijkheid en steken een vuur aan om hen te verwarmen. Terwijl Paulus hout verzamelt, bijt een giftige slang zich in zijn hand. De eilandbewoners verwachten dat hij sterft, maar Paulus schudt de slang eenvoudig af in het vuur en blijft ongedeerd. Dit leidt tot verwondering en respect onder de mensen, die hem beschouwen als iemand die door God beschermd wordt.
Wonderen en genezingen
Op Malta ontvangt Paulus gastvrijheid van Publius, de belangrijkste man van het eiland. De vader van Publius ligt ziek met koorts en dysenterie. Paulus bidt, legt hem de handen op en geneest hem. Hierna komen ook vele andere zieken naar hem toe en zij worden allen genezen. De eilandbewoners eren Paulus en zijn gezelschap, en zorgen ervoor dat zij met alles wat nodig is de reis kunnen vervolgen.
De reis naar Rome
Na drie maanden vertrekken ze op een schip dat de winter heeft doorgebracht op het eiland. De tocht voert langs Sicilië en Italië. In Puteoli ontmoeten ze broeders in het geloof en mogen daar zeven dagen blijven. Van daaruit reizen ze verder richting Rome. Onderweg worden ze door christenen uit de stad tegemoet gekomen, wat Paulus veel moed geeft. Het benadrukt hoe de jonge kerk al verspreid was tot in Italië.
Aankomst en verblijf in Rome
Eenmaal in Rome krijgt Paulus een vorm van huisarrest: hij woont in een gehuurd huis, bewaakt door een soldaat, maar heeft de vrijheid om mensen te ontvangen. Na drie dagen nodigt hij de Joodse leiders uit en legt uit dat hij niet wegens een misdaad gevangen zit, maar vanwege de hoop van Israël. Hij vertelt hun dat hij om die reden in ketenen is.
De ontmoeting met de Joodse leiders
De leiders in Rome hebben geen officiële aanklacht uit Judea ontvangen, maar zijn bereid Paulus te horen. Op een vastgestelde dag komt een grote groep bij hem thuis. Vanaf de morgen tot de avond legt Paulus uit, getuigend van het koninkrijk van God en het verband met de Wet en de Profeten. Sommigen worden overtuigd, anderen niet. Dit verdeelde resultaat laat zien dat het evangelie zowel gehoor vindt als weerstand oproept.
De boodschap aan de ongelovigen
Wanneer een deel weigert te geloven, citeert Paulus de profeet Jesaja: het hart van dit volk is verhard, zij horen wel maar begrijpen niet, zien wel maar zien toch niet. Vervolgens verklaart hij dat de redding van God ook aan de heidenen is gezonden en dat zij zullen luisteren. Dit onderstreept de universele reikwijdte van het evangelie.
Het slot van Handelingen
Paulus blijft twee jaar in zijn eigen woning te Rome. Daar ontvangt hij vrij iedereen die komt luisteren, Joden en niet-Joden. Hij verkondigt met vrijmoedigheid en zonder belemmering het koninkrijk van God en leert over de Heer Jezus Christus. Het boek eindigt open: het evangelie blijft doorgaan, zelfs vanuit gevangenschap, en bereikt steeds verder de wereld.
Handelingen 28
1 En als zij ontkomen waren, toen verstonden zij, dat het eiland Melite heette.
2 En de barbaren bewezen ons geen gemene vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om den regen, die overkwam, enom de koude.
3 En als Paulus een hoop rijzen bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er een adder uit door de hitte, en vatte zijn hand.
4 En als de barbaren het beest zagen aan zijn hand hangen, zeiden zij tot elkander: Deze mens is gewisselijk een doodslager, welken de wraak niet laat leven, daarhij uit de zee ontkomen is.
5 Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads.
6 En zij verwachtten, dat hij zou opzwellen, of terstond dood nedervallen. Maar als zij lang gewacht hadden, en zagen, dat geen ongemak hem overkwam,werden zij veranderd, en zeiden, dat hij een god was.
7 En hier, omtrent dezelfde plaats, had de voornaamste van het eiland, met name Publius, zijn landhoeven, die ons ontving, en drie dagen vriendelijk herbergde.
8 En het geschiedde, dat de vader van Publius, met koortsen en den roden loop bevangen zijnde, te bed lag; tot denwelken Paulus inging, en als hij gebeden had,legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond.
9 Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen, die krankheden hadden in het eiland, en werden genezen.
10 Die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons hetgeen van node was.
11 En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandrie, dat in het eiland overwinterd had, hebbende tot een teken, Kastor en Pollux.
12 En als wij te Syrakuse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie dagen;
13 Van waar wij omvoeren, en kwamen aan te Regium; en alzo, na een dag, de wind zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te Puteoli;
14 Alwaar wij broeders vonden, en werden gebeden, zeven dagen bij hen te blijven; en alzo gingen wij naar Rome.
15 En vandaar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt, en de drie tabernen; welke Paulus ziende, dankte hij Goden greep moed.
16 En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan den overste des legers; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven tewonen met den krijgsknecht, die hem bewaarde.
17 En het geschiedde na drie dagen dat Paulus samenriep degenen, die de voornaamsten der Joden waren. En als zij samengekomen waren, zeide hij tot hen:Mannen broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen;
18 Dewelken, mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geen schuld des doods in mij was.
19 Maar als de Joden zulks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen; doch niet, alsof ik iets had, mijn volk te beschuldigen.
20 Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israels ben ik met deze keten omvangen.
21 Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judea ontvangen; noch iemand van de broeders, hier gekomen zijnde, heeft van u ietskwaads geboodschapt of gesproken.
22 Maar wij begeren wel van u te horen, wat gij gevoelt; want wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt.
23 En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijn woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen tebewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe.
24 En sommigen geloofden wel, hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.
25 En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet,tot onze vaderen,
26 Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.
27 Want het hart dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met deogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze.
28 Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen.
29 En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting hebbenden onder elkander.
30 En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen;









