Home Bijbel dagelijks Nieuwe Testament 44 Handelingen Handelingen 26: Paulus voor Agrippa

Handelingen 26: Paulus voor Agrippa

0
1621
Apostel Paulus spreekt met passie tot koning Agrippa en Bernice in een dramatische bijbelse setting vol emotie en licht.
Paulus getuigt van zijn bekering en roeping voor koning Agrippa en Bernice, zoals beschreven in Handelingen 26.

Handelingen 26 is een bijzonder hoofdstuk waarin de apostel Paulus zich verdedigt tegenover koning Agrippa II. Het verslag toont niet alleen Paulus’ persoonlijke getuigenis, maar ook hoe hij zijn roeping als getuige van de opgestane Christus uitlegt. Dit hoofdstuk vormt een krachtig voorbeeld van geloof, moed en overtuiging, en laat zien hoe het evangelie zelfs in vijandige omgevingen verkondigd wordt. Paulus spreekt met respect, maar ook met diepe overtuiging, en plaatst zijn eigen levensverhaal in het licht van Gods plan.

Paulus’ verschijning voor koning Agrippa

Paulus, die in gevangenschap verkeert, krijgt van stadhouder Festus de kans om zich te verdedigen tegenover koning Agrippa en zijn zuster Bernice. Agrippa staat bekend om zijn kennis van de Joodse gewoonten en wetten, waardoor Paulus zich gesteund voelt om openlijk te spreken.

Paulus’ opening – respect en dankbaarheid

Paulus begint met een respectvolle toespraak. Hij prijst Agrippa’s kennis van Joodse zaken en vraagt hem geduldig naar zijn verhaal te luisteren. Hiermee schept Paulus een brug en wint hij vertrouwen bij zijn toehoorders.

Paulus’ jeugd en farizeïsche achtergrond

Paulus schetst zijn verleden als farizeeër, de strengste stroming binnen het Jodendom. Hij legt uit dat hij altijd trouw de wet van zijn vaderen volgde. Juist omwille van de hoop op de belofte van God – de opstanding van de doden – staat hij nu terecht. Paulus benadrukt dat deze hoop de kern van het geloof van Israël vormt.

Paulus’ vervolging van de christenen

In een openhartige bekentenis vertelt Paulus dat hij christenen fel vervolgde. Hij sloot hen op, stemde in met hun terechtstelling en probeerde hen te dwingen Christus te verloochenen. Hij reisde zelfs buiten Judea om hen te achtervolgen. Dit toont de ernst van zijn vroegere verzet tegen Jezus’ volgelingen.

De verschijning van Christus onderweg naar Damascus

Het hoogtepunt van Paulus’ verhaal is zijn ontmoeting met de opgestane Christus. Onderweg naar Damascus wordt hij omstraald door een hemels licht. Hij valt ter aarde en hoort een stem die zegt: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?”. Jezus openbaart zich en geeft Paulus een nieuwe bestemming: hij moet dienen als getuige en verkondiger van het evangelie aan Joden én heidenen.

Paulus’ roeping en missie

Jezus stelt Paulus aan als dienaar en getuige van wat hij gezien heeft en nog zal zien. Hij belooft hem bescherming tegen zijn vijanden. Paulus krijgt de opdracht om mensen hun ogen te openen, hen uit de duisternis tot het licht te brengen, en hen deel te geven aan de vergeving van zonden door geloof in Christus.

Gehoorzaamheid aan de hemelse roeping

Paulus verklaart dat hij niet ongehoorzaam is geweest aan deze roeping. Hij begon in Damascus, ging naar Jeruzalem en verder door Judea en de heidense wereld om te prediken. Zijn boodschap: bekering tot God, geloof in Christus en een leven dat vruchten draagt van bekering.

Vijandigheid en arrestatie

Paulus vertelt hoe zijn prediking tot vijandigheid leidde bij de Joodse leiders, wat uiteindelijk tot zijn arrestatie in de tempel leidde. Toch bleef hij trouw getuigen, steunend op Gods hulp. Zijn boodschap bleef steeds dezelfde: de vervulling van de profetieën en het lijden en de opstanding van de Messias.

Festus’ reactie en Paulus’ antwoord

Tijdens de rede roept Festus uit dat Paulus krankzinnig is geworden door zijn vele geleerdheid. Paulus antwoordt kalm en stelt dat hij geen waanzin spreekt, maar woorden van waarheid en gezond verstand.

Paulus richt zich tot koning Agrippa

Paulus wendt zich rechtstreeks tot Agrippa, wetend dat hij bekend is met de profetieën. Hij vraagt: “Gelooft gij de profeten? Ik weet dat gij het gelooft.” Agrippa antwoordt half spottend, half geraakt: “Gij beweegt mij bijna een christen te worden.”

Paulus’ wens voor allen

Paulus besluit met de vurige wens dat niet alleen Agrippa, maar allen die hem horen, hetzelfde geloof zouden delen – behalve natuurlijk zijn boeien.

Oordeel van Agrippa en Festus

Na afloop trekken Agrippa en Festus zich terug. Ze zijn het erover eens dat Paulus niets heeft gedaan wat dood of gevangenisstraf verdient. Agrippa merkt zelfs op dat Paulus vrijgelaten had kunnen worden, als hij zich niet op de keizer had beroepen.

Conclusie

Handelingen 26 is een krachtig getuigenis van Paulus’ geloof, zijn bekering en zijn roeping om het evangelie te verkondigen. Het laat zien hoe een vijand van Christus werd veranderd in Zijn trouwste getuige. Paulus’ verdediging is meer dan een pleidooi voor zijn onschuld; het is een oproep aan iedereen die luistert om te geloven in de opgestane Heer.


Handelingen 26

1 En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich aldus:

2 Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word;

3 Allermeest, dewijl ik weet, dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen, die onder de Joden zijn. Daarom bid ik u, dat gij mij lankmoediglijk hoort.

4 Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden;

5 Als die van over lang mij te voren gekend hebben (indien zij het wilden getuigen), dat ik, naar de bescheidenste sekte van onzen godsdienst, als een Farizeergeleefd heb.

6 En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is;

7 Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden wordbeschuldigd.

8 Wat? wordt het bij ulieden ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?

9 Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen den Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen.

10 Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; enals zij omgebracht werden, stemde ik het toe.

11 En door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft, en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buitenlandse steden.

12 Waarover ook als ik naar Damaskus reisde, met macht en last, welk ik van de overpriesters had,

13 Zag ik, o koning, in het midden van den dag, op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende.

14 En als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik een stem, tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Hetis u hard, tegen de prikkels de verzenen te slaan.

15 En ik zeide: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt.

16 Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en inwelke Ik u nog zal verschijnen;

17 Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot dewelke Ik u nu zende;

18 Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, eneen erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.

19 Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest;

20 Maar heb eerst dengenen, die te Damaskus waren, en te Jeruzalem, en in het gehele land van Judea, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren,en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig.

21 Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den tempel gegrepen en gepoogd om te brengen.

22 Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozesgesproken hebben, dat geschieden zoude:

23 Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en den heidenen.

24 En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festus met grote stem: Gij raast, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij!

25 Maar hij zeide: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand;

26 Want de koning weet van deze dingen, tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is;want dit is in geen hoek geschied.

27 Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft.

28 En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.

29 En Paulus zeide: Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, zodanigen wierden, gelijk als ik ben,uitgenomen deze banden.

30 En als hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren;

31 En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: Deze mens doet niets des doods of der banden waardig.

32 En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen.