Home Bijbel dagelijks Nieuwe Testament 44 Handelingen Handelingen 12: Petrus bevrijd en Herodes sterft

Handelingen 12: Petrus bevrijd en Herodes sterft

0
1090
Streetart schildering van Petrus’ bevrijding door een engel uit de gevangenis, Handelingen 12.
De engel bevrijdt Petrus uit de gevangenis, terwijl Gods licht de duisternis doorbreekt.

Handelingen 12 biedt een krachtig inkijkje in de strijd tussen menselijke macht en Gods heerschappij. Koning Herodes Agrippa I vervolgt de christelijke gemeente door Jakobus te doden en Petrus gevangen te nemen. Terwijl de kerk bidt, grijpt God in op wonderlijke wijze. Het hoofdstuk eindigt met het oordeel over Herodes, die door zijn hoogmoed getroffen wordt en sterft. Dit hoofdstuk laat zien dat God Zijn gemeente beschermt, ook in tijden van vervolging, en dat menselijke macht uiteindelijk onder Zijn heerschappij staat.

Herodes’ vervolging van de gemeente

Herodes Agrippa I, kleinzoon van Herodes de Grote, wilde de Joodse leiders behagen. Hij liet Jakobus, de broer van Johannes, met het zwaard doden. Dit was de eerste apostel die om zijn geloof in Jezus Christus werd terechtgesteld. Het liet zien dat de vervolging ernstiger werd en zelfs de leidende apostelen niet gespaard bleven.

Herodes zag dat dit de Joden beviel en besloot ook Petrus gevangen te nemen, precies rond het Paasfeest. Hij stelde hem onder zware bewaking: vier wachten van vier soldaten. Dit benadrukt hoezeer Herodes de situatie onder controle dacht te hebben.

De kracht van het gebed

Terwijl Petrus gevangen zat, “werd er zonder ophouden voor hem tot God gebeden door de gemeente” (Hand. 12:5). Dit toont de geestelijke strijd: menselijke macht tegenover de voorbede van Gods kinderen. De gemeente kon Petrus niet fysiek bevrijden, maar zij wist dat gebed deuren opent die geen mens kan sluiten.

Petrus’ wonderlijke bevrijding

In de nacht vóór zijn proces sliep Petrus, geketend tussen twee soldaten. Een engel van de Heer verscheen plotseling, een licht straalde in de cel, en de ketenen vielen van zijn handen. De engel leidde hem langs alle wachten, tot aan de ijzeren poort van de stad, die vanzelf openging.

Aanvankelijk dacht Petrus dat hij een visioen zag, maar eenmaal buiten besefte hij dat God hem werkelijk bevrijd had. Dit wonder maakt duidelijk dat geen menselijke macht Gods plan kan tegenhouden.

Het huis van Maria en het ongeloof van de bidders

Petrus ging naar het huis van Maria, de moeder van Johannes Marcus, waar velen bijeen waren om te bidden. Het dienstmeisje Rhode herkende zijn stem, maar uit vreugde vergat zij de deur open te doen. Binnen geloofden de bidders haar eerst niet. Pas toen zij Petrus zagen, waren zij verbaasd.

Dit gedeelte illustreert zowel de volharding als de zwakheid van de gelovigen: zij baden vurig, maar hadden moeite het verhoorde gebed te geloven.

Het oordeel over Herodes

Kort daarna hield Herodes een redevoering in Caesarea. Het volk riep: “Dit is de stem van een god, en niet van een mens!” In plaats van de eer aan God te geven, nam Herodes deze goddelijke verering aan. Onmiddellijk werd hij door een engel van de Heer geslagen. Hij werd door wormen gegeten en stierf.

Deze dramatische dood benadrukt dat hoogmoed en godslastering niet ongestraft blijven. God beschermt Zijn kerk en richt recht tegenover haar vijanden.

Het Woord van God groeit verder

Ondanks vervolging en tegenstand breidde de gemeente zich verder uit. Barnabas en Saulus keerden terug naar Antiochië na hun dienstreis naar Jeruzalem. Zo vormt dit hoofdstuk de overgang naar de verdere zending onder de heidenen.

Betekenis voor vandaag

  1. Gods soevereiniteit – Zelfs als de kerk vervolgd wordt, heeft God de macht om in te grijpen.
  2. Kracht van gebed – De gemeente stond machteloos, maar vond haar kracht in gezamenlijk gebed.
  3. Menselijke hoogmoed – Herodes’ ondergang is een waarschuwing dat alle macht en eer alleen God toekomt.
  4. Voortgang van het evangelie – Niets kan de verspreiding van Gods Woord tegenhouden.

Handelingen 12

1 En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen.

2 En hij doodde Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard.

3 En toen hij zag, dat het den Joden behagelijk was, voer hij voort, om ook Petrus te vangen (en het waren de dagen der ongehevelde broden);

4 Denwelken ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaren, willende nahet paas feest hem voorbrengen voor het volk.

5 Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de Gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.

6 Toen hem nu Herodes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelfden nacht tussen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deurbewaarden den gevangenis.

7 En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastelijk op. Enzijn ketenen vielen af van de handen.

8 En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed alzo. En hij zeide tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij.

9 En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, hetgeen door den engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.

10 En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; dewelke van zelve hun geopend werd. Enuitgegaan zijnde, gingen zij een straat voort, en terstond scheidde de engel van hem.

11 En Petrus, tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand vanHerodes, en uit al de verwachting van het volk der Joden.

12 En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd enbiddende waren.

13 En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam een dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhode.

14 En zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte, dat Petrus voor aan de voorpoortstond.

15 En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef er sterk bij, dat het alzo was. En zij zeiden: Het is zijn engel.

16 Maar Petrus bleef kloppende: en als zij opengedaan hadden, zagen zij hem, en ontzetten zich.

17 En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zeide: Boodschapt ditaan Jakobus en de broederen. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats.

18 En als het dag was geworden, was er geen kleine beroerte onder de krijgsknechten, wat toch aan Petrus mocht geschied zijn.

19 En als Herodes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters rechtelijk ondervraagd had, gebood hij, dat zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok vanJudea naar Cesarea, en hield zich aldaar.

20 En Herodes had in den zin tegen de Tyriers en Sidoniers te krijgen; maar zij kwamen eendrachtelijk tot hem, en Blastus, die des konings kamerling was,overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gespijzigd werd van des konings land.

21 En op een gezetten dag, Herodes, een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen.

22 En het volk riep hem toe: Een stem Gods, en niet eens mensen!

23 En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf den geest.

24 En het Woord Gods wies, en vermenigvuldigde.

25 Barnabas nu en Saulus keerden wederom van Jeruzalem, als zij den dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus.