Home Brieven aan God De intocht in Jeruzalem – Evangelie Matteüs 21

De intocht in Jeruzalem – Evangelie Matteüs 21

0
691
Jezus' triomfantelijke intocht in Jeruzalem vervult profetieën, benadrukt nederigheid, en roept op tot geloof en gehoorzaamheid aan God.
Jezus' triomfantelijke intocht in Jeruzalem vervult profetieën, benadrukt nederigheid, en roept op tot geloof en gehoorzaamheid aan God.

De intocht van Jezus in Jeruzalem, zoals beschreven in Matteüs 21, is een van de meest symbolische en betekenisvolle gebeurtenissen in het christelijke geloof. Het markeert het begin van de laatste week van Jezus’ leven, een periode die bekend staat als de Goede Week. In dit artikel zullen we kijken naar deze gebeurtenis, de profetische vervullingen die ermee gepaard gaan, en de impact die het heeft op de christelijke theologie.

De context van Matteüs 21

Het evangelie van Matteüs: een kort overzicht

Het evangelie van Matteüs is het eerste boek van het Nieuwe Testament en wordt traditioneel toegeschreven aan Matteüs, een van de twaalf apostelen van Jezus. Het evangelie is geschreven met een Joods publiek in gedachten en legt een sterke nadruk op Jezus als de vervulling van het Oude Testament. Dit komt vooral tot uiting in de manier waarop Matteüs oudtestamentische profetieën verbindt met gebeurtenissen uit het leven van Jezus.

In hoofdstuk 21 van het evangelie van Matteüs beschrijft de evangelist hoe Jezus Jeruzalem binnentrekt op een ezelsveulen. Dit is geen toevallige gebeurtenis, maar een daad vol symboliek en profetische betekenis.

De voorbereiding op de intocht

De intocht begint met een opdracht van Jezus aan twee van zijn discipelen. Hij instrueert hen om naar een nabijgelegen dorp te gaan, waar ze een vastgebonden ezelin met haar veulen zullen vinden. Ze moeten de dieren losmaken en naar Jezus brengen. Wanneer hen wordt gevraagd waarom ze de dieren losmaken, moeten ze antwoorden: “De Heer heeft ze nodig” (Matteüs 21:3).

Deze eenvoudige handeling is geladen met betekenis. Het feit dat Jezus ervoor kiest om op een ezelsveulen de stad binnen te gaan, verwijst naar een specifieke profetie uit het Oude Testament. Het toont ook Jezus’ soevereiniteit en zijn voorbereiding op wat komen gaat.

De vervulling van de profetie

Zacharia 9:9: een oude belofte

De gebeurtenis die in Matteüs 21 wordt beschreven, vervult een oude profetie die te vinden is in Zacharia 9:9: “Verheug u zeer, gij dochter van Sion, juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning zal tot u komen, rechtvaardig en zegevierend is hij, nederig en rijdend op een ezel, ja, op een veulen, het jong van een ezelin.”

Deze profetie sprak van een koning die zou komen, niet als een machtige krijgsheer te paard, maar als een nederige dienaar op een ezelsveulen. Door op deze manier Jeruzalem binnen te gaan, positioneert Jezus zichzelf als de vervulling van deze belofte. Het is een sterk statement dat het koninkrijk van God anders is dan aardse koninkrijken.

De betekenis van de ezel

In de Bijbelse tijd stond de ezel symbool voor vrede en nederigheid, in tegenstelling tot een paard dat vaak werd geassocieerd met oorlog. Door op een ezelsveulen te rijden, maakt Jezus duidelijk dat zijn koningschap er een van vrede is, niet van geweld. Dit beeld contrasteert sterk met de verwachtingen van veel Joden in die tijd, die hoopten op een Messias die Rome zou omverwerpen en een aards koninkrijk zou vestigen.

De reactie van de menigte

“Hosanna, de Zoon van David!”

Wanneer Jezus Jeruzalem binnenrijdt, wordt hij verwelkomd door een enthousiaste menigte. De mensen leggen hun mantels op de weg en snijden takken van de bomen, waarmee ze de weg bedekken. Ze roepen: “Hosanna, de Zoon van David! Gezegend Hij die komt in de naam des Heren! Hosanna in de hoogste hemelen!” (Matteüs 21:9).

De term “Hosanna” is afkomstig uit het Hebreeuws en betekent “red ons, alstublieft!” Het is een uitroep van lof en tegelijkertijd een smeekbede om verlossing. Door Jezus te begroeten als de “Zoon van David”, erkent de menigte hem als de langverwachte Messias, de erfgenaam van de troon van David.

Een dubbele betekenis

De vreugde en hoop van de menigte zijn echter beladen met ironie. Hoewel ze Jezus verwelkomen als hun redder, begrijpen velen van hen niet de ware aard van zijn missie. Ze verwachten een politieke bevrijder, maar Jezus is gekomen om een veel diepere, spirituele bevrijding te brengen. Dezelfde menigte die nu “Hosanna” roept, zal enkele dagen later “Kruisig hem!” schreeuwen.

De reiniging van de tempel

De tempel: centrum van religie en macht

Na de intocht in Jeruzalem gaat Jezus direct naar de tempel, het religieuze en sociale hart van het Joodse leven. De tempel was niet alleen een plaats van aanbidding, maar ook een symbool van nationale identiteit en goddelijke aanwezigheid. Het was een complex van gebouwen waar offers werden gebracht, gebeden werden uitgesproken, en de wet van Mozes werd bestudeerd. In deze omgeving werd de macht van de religieuze leiders geconsolideerd, en zij oefenden aanzienlijke invloed uit over het Joodse volk.

De woede van Jezus

Bij aankomst in de tempel wordt Jezus geconfronteerd met tafels van geldwisselaars en stoelen van duivenverkopers. Deze handelaars waren aanwezig om de pelgrims te voorzien van dieren voor de offers en om de Romeinse valuta om te wisselen voor de tempelmunt, die nodig was voor de tempelbelasting. Echter, deze handel had geleid tot uitbuiting en corruptie, en de heilige ruimte van de tempel was verworden tot een commercieel centrum.

Jezus reageert met verontwaardiging en doet iets wat de mensen niet hadden verwacht: hij gooit de tafels van de geldwisselaars om en verdrijft de handelaars uit de tempel. Hij verklaart: “Er is geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden; maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt” (Matteüs 21:13). Deze daad is zowel symbolisch als provocerend. Jezus claimt de autoriteit om de tempel te reinigen en herstelt daarmee de ware intentie van de eredienst, terwijl hij tegelijkertijd de religieuze leiders uitdaagt die deze corruptie hadden toegestaan.

Profetische actie

De actie van Jezus in de tempel herinnert aan de profetieën uit het Oude Testament die spraken van een zuivering van het huis van God. In Jeremia 7:11, bijvoorbeeld, waarschuwde de profeet dat het huis van God tot een “rovershol” was geworden, een verwijzing die Jezus direct toepast op de situatie in zijn tijd. Ook is er een echo van Maleachi 3:1-3, waarin wordt voorspeld dat de Heer plotseling naar zijn tempel zal komen om deze te reinigen.

Door de tempel te reinigen, zet Jezus de toon voor de rest van de week. Hij confronteert de religieuze autoriteiten en plaatst zichzelf in het centrum van het religieuze leven van Israël, waarbij hij impliciet claimt dat hij de belichaming is van Gods heerschappij en aanwezigheid.

De vervloeking van de vijgenboom

Een symbolische handeling

Kort na de reiniging van de tempel, beschrijft Matteüs een andere opmerkelijke gebeurtenis: de vervloeking van de vijgenboom. Wanneer Jezus honger krijgt en een vijgenboom ziet in de verte, nadert hij de boom in de hoop er vrucht aan te vinden. Tot zijn teleurstelling vindt hij niets anders dan bladeren, omdat het nog niet het seizoen voor vijgen was. Vervolgens vervloekt Jezus de boom, en deze verdort onmiddellijk (Matteüs 21:18-19).

Op het eerste gezicht lijkt deze actie onkarakteristiek hard, vooral gezien het feit dat het niet het seizoen was voor vijgen. Echter, in de context van de gebeurtenissen die zich in Jeruzalem afspelen, wordt duidelijk dat deze handeling symbolisch is. De vijgenboom vertegenwoordigt Israël, dat, net als de boom, vol is van uiterlijk vertoon (de bladeren) maar zonder de vruchten van gerechtigheid.

De betekenis voor Israël

De vervloeking van de vijgenboom moet worden gezien in het licht van de vorige gebeurtenissen, met name de reiniging van de tempel. Het is een krachtig beeld van het oordeel over een volk dat zijn roeping niet heeft vervuld om de vruchten van gerechtigheid voort te brengen. Israël had de verantwoordelijkheid om Gods liefde en rechtvaardigheid te weerspiegelen, maar in plaats daarvan was het gefocust op uiterlijk vertoon en rituelen zonder echte toewijding.

Deze gebeurtenis dient ook als een waarschuwing voor de discipelen en alle toekomstige volgelingen van Jezus. Het illustreert de noodzaak om niet alleen een schijn van vroomheid te hebben, maar om daadwerkelijk de vruchten van een rechtvaardig leven voort te brengen.

De reactie van de autoriteiten

De toenemende spanning

Jezus’ daden in Jeruzalem blijven niet onopgemerkt. Zijn triomfantelijke intocht, de reiniging van de tempel, en de vervloeking van de vijgenboom zijn allemaal krachtige symbolen die de religieuze autoriteiten uitdagen en hun macht bedreigen. De overpriesters en oudsten van het volk beginnen te begrijpen dat Jezus niet zomaar een rondtrekkende prediker is, maar een bedreiging voor hun gevestigde orde.

In Matteüs 21:23-27 lezen we dat de overpriesters en oudsten Jezus confronteren en vragen met welke autoriteit hij deze dingen doet. Jezus ontwijkt hun vraag door hen op zijn beurt te vragen of de doop van Johannes uit de hemel of van mensen was. Dit plaatst de religieuze leiders in een dilemma: als ze zeggen “uit de hemel”, dan zullen ze worden geconfronteerd met de vraag waarom ze Johannes niet geloofden. Als ze zeggen “van mensen”, dan zullen ze de menigte tegen zich in het harnas jagen, want zij beschouwden Johannes als een profeet.

Door deze vraag te stellen, onthult Jezus hun hypocrisie en gebrek aan geestelijk inzicht. De autoriteiten zijn meer bezorgd over hun machtspositie dan over de waarheid, en dit zal uiteindelijk leiden tot hun verwerping van Jezus als de Messias.

De gelijkenissen van Jezus in Matteüs 21

De parabel van de twee zonen

Na de confrontatie met de religieuze leiders, vertelt Jezus hen de parabel van de twee zonen, die we vinden in Matteüs 21:28-32. In deze gelijkenis vraagt een vader zijn twee zonen om in de wijngaard te gaan werken. De eerste zoon weigert aanvankelijk, maar krijgt later spijt en gaat alsnog. De tweede zoon zegt dat hij zal gaan, maar doet dat uiteindelijk niet. Jezus vraagt vervolgens aan zijn toehoorders welke van de twee zonen de wil van de vader heeft gedaan, waarop zij antwoorden: “De eerste.”

Deze gelijkenis is direct gericht op de religieuze leiders. De eerste zoon, die eerst weigert maar later gehoorzaamt, staat symbool voor de tollenaars en hoeren die, hoewel zij aanvankelijk afweken van Gods weg, uiteindelijk berouw toonden en terugkeerden. De tweede zoon vertegenwoordigt de religieuze leiders, die zich vroom voordoen, maar in werkelijkheid Gods wil niet uitvoeren. Jezus maakt hiermee duidelijk dat gehoorzaamheid aan God belangrijker is dan louter woorden en beloftes.

De parabel van de boosaardige wijngaardeniers

De volgende gelijkenis, die van de boosaardige wijngaardeniers, is eveneens bijzonder scherp (Matteüs 21:33-46). Jezus vertelt het verhaal van een landeigenaar die een wijngaard aanlegt en deze verpacht aan enkele wijnbouwers. Wanneer het tijd is om de vruchten van de wijngaard te oogsten, stuurt de eigenaar zijn dienaren om het fruit op te halen. De wijnbouwers mishandelen en doden echter de dienaren. Uiteindelijk stuurt de eigenaar zijn zoon, in de overtuiging dat de wijnbouwers hem zullen respecteren. Maar de wijnbouwers, die denken de erfenis voor zichzelf te kunnen opeisen, doden ook de zoon.

De wijngaard in deze parabel staat symbool voor Israël, en de wijnbouwers vertegenwoordigen de religieuze leiders die het volk zouden moeten leiden in de aanbidding van God. De dienaren zijn de profeten die door God zijn gezonden om het volk op het rechte pad te houden, maar die door de leiders zijn mishandeld en vermoord. De zoon is natuurlijk een verwijzing naar Jezus zelf, de erfgenaam die uiteindelijk ook zal worden verworpen en gedood.

Het oordeel over de wijngaardeniers

Aan het einde van de gelijkenis vraagt Jezus de religieuze leiders wat de eigenaar van de wijngaard zal doen met de wijnbouwers. Zij antwoorden: “Hij zal de boosaardige wijnbouwers op een verschrikkelijke manier ombrengen en de wijngaard aan andere wijnbouwers geven, die hem op de juiste tijd de vruchten zullen geven.” Hiermee spreken zij onbedoeld hun eigen oordeel uit. Jezus benadrukt vervolgens dat het koninkrijk van God van hen zal worden weggenomen en gegeven aan een volk dat de vruchten daarvan wel zal voortbrengen.

Deze parabel is een duidelijke voorspelling van de komende afwijzing van de Joodse leiders en de uitbreiding van Gods verbond naar de heidenen. Het benadrukt de verantwoordelijkheid die komt met het ontvangen van Gods zegeningen en de ernst van het oordeel wanneer deze verantwoordelijkheid wordt genegeerd.

De steen die de bouwlieden verworpen hebben

De profetische verwijzing naar psalm 118

In Matteüs 21:42 citeert Jezus psalm 118:22-23: “De steen die de bouwlieden verworpen hebben, is de hoeksteen geworden; dit is van de Heer geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.” Deze passage, die oorspronkelijk betrekking had op Israël als het uitverkoren volk van God, wordt door Jezus toegepast op zichzelf. Hij is de hoeksteen, de basis van Gods nieuwe verbond, die door de religieuze leiders is verworpen.

De metafoor van de hoeksteen is diepgaand. In de bouwkunde is de hoeksteen de eerste steen die wordt gelegd en alle andere stenen worden daarop afgestemd. Het is een fundament, zonder welke het hele gebouw zou instorten. Jezus presenteert zichzelf hier als de essentiële basis voor het koninkrijk van God. Door hem te verwerpen, plaatsen de religieuze leiders zichzelf buiten dat koninkrijk.

Het onvermijdelijke oordeel

Jezus sluit zijn boodschap af met een ernstige waarschuwing: “En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden; maar op wie hij valt, die zal hij vermorzelen” (Matteüs 21:44). Dit vers suggereert dat iedereen die probeert Jezus’ boodschap te weerstaan, uiteindelijk ten onder zal gaan. Het is een oproep tot berouw en bekering, maar tegelijkertijd een voorspelling van het onvermijdelijke oordeel dat hen zal treffen die zich blijven verzetten tegen Gods plan.

De theologische implicaties van de intocht en Jezus’ daden in Jeruzalem

Jezus als vervulling van de messiaanse verwachtingen

De gebeurtenissen die plaatsvinden in Matteüs 21 laten geen twijfel bestaan over de identiteit die Jezus voor zichzelf claimt. Door op een ezelsveulen Jeruzalem binnen te trekken, vervult Jezus bewust de profetie uit Zacharia 9:9, waarmee hij zichzelf presenteert als de beloofde Messias. Deze daad is een directe aanspraak op de koninklijke titel die aan de Messias is gegeven, en plaatst Jezus in een lijn van goddelijke voorzienigheid die teruggaat tot het Oude Testament.

Voor het Joodse volk in die tijd was de Messias een figuur van grootse verwachting, iemand die de vijanden van Israël zou verslaan en een nieuw tijdperk van vrede en gerechtigheid zou inluiden. Jezus’ keuze om op een ezelsveulen binnen te rijden, in plaats van op een paard zoals een traditionele koning zou doen, onderstreept de nederige en vreedzame aard van zijn koningschap. Dit was een radicaal andere interpretatie van het Messiaanse ambt dan de meerderheid van het Joodse volk had verwacht.

Het oordeel over de religieuze leiders

Een van de krachtigste thema’s in Matteüs 21 is het oordeel dat Jezus velt over de religieuze leiders van zijn tijd. Door de tempel te reinigen, de vijgenboom te vervloeken, en de parabels van de twee zonen en de boosaardige wijngaardeniers te vertellen, maakt Jezus duidelijk dat de religieuze elite gefaald heeft in haar rol als leiders van het volk van God.

Dit thema van oordeel is diep geworteld in de Hebreeuwse Schrift, waar de profeten regelmatig waarschuwen voor de gevolgen van het negeren van gerechtigheid en barmhartigheid. De religieuze leiders in Jezus’ tijd hadden de wet van God gebruikt om hun eigen macht te consolideren, in plaats van de geest van de wet te volgen, die gericht was op liefde voor God en naastenliefde.

De inauguratie van een nieuw verbond

Met de intocht in Jeruzalem en de daaropvolgende gebeurtenissen bereidt Jezus de weg voor de inauguratie van een nieuw verbond tussen God en de mensheid. Dit nieuwe verbond, dat tot stand komt door Jezus’ dood en opstanding, zal niet langer gebaseerd zijn op de naleving van de wet zoals in het oude verbond, maar op geloof in Jezus Christus als de Zoon van God.

De reiniging van de tempel kan worden gezien als een symbool van dit nieuwe verbond. De tempel was het centrum van het oude verbond, waar offers werden gebracht en verzoening werd verkregen. Door de tempel te reinigen en vervolgens te voorspellen dat hij zou worden vervangen, wijst Jezus vooruit naar een tijd waarin de relatie tussen God en de mens niet langer afhankelijk zal zijn van offers en rituelen, maar van een directe, persoonlijke relatie door geloof.

Het koninkrijk van God: open voor iedereen

Een ander belangrijk theologisch punt in Matteüs 21 is de universaliteit van het Koninkrijk van God. Door de wijnbouwers in de parabel te vervangen, wijst Jezus op het feit dat het Koninkrijk van God niet beperkt is tot één etnische groep of natie, maar openstaat voor iedereen die geloof toont en de vruchten van gerechtigheid voortbrengt.

Dit idee van een inclusief koninkrijk was revolutionair en werd later verder uitgewerkt in de bediening van de apostelen, vooral Paulus, die predikte dat in Christus “er geen Jood of Griek is, slaaf of vrije, man en vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus” (Galaten 3:28). De boodschap van Matteüs 21 benadrukt dat toegang tot Gods koninkrijk gebaseerd is op geloof en gehoorzaamheid aan Christus, en niet op etnische afkomst of naleving van de wet.

Conclusie

Matteüs 21 biedt rijke inzichten in de aard van Jezus’ missie, zijn koningschap, en het koninkrijk van God. Het hoofdstuk confronteert ons met de vraag hoe we reageren op Jezus’ oproep tot geloof en gehoorzaamheid. Zijn intocht in Jeruzalem, de reiniging van de tempel, de vervloeking van de vijgenboom, en de gelijkenissen die hij vertelt, zijn allemaal bedoeld om ons uit te dagen en ons te helpen begrijpen wat het betekent om deel uit te maken van het koninkrijk van God.

Voor de hedendaagse gelovige biedt Matteüs 21 een krachtige herinnering aan de noodzaak van een authentiek geloof dat zich uit in daden van gerechtigheid en barmhartigheid. Het roept ons op om onze eigen levens en gemeenschappen te onderzoeken, en om ervoor te zorgen dat we niet alleen de schijn van vroomheid hebben, maar ook de ware vruchten van het geloof voortbrengen.

Jezus’ boodschap is even relevant vandaag als toen hij Jeruzalem binnenreed: het koninkrijk van God is nabij, en wij worden uitgenodigd om deel te nemen aan dit koninkrijk door geloof, gehoorzaamheid, en een leven dat de waarden van dat koninkrijk weerspiegelt.