Psalm 118: Dank, vertrouwen en profetie

0
1021

Psalm 118 is een lofzang vol dankbaarheid en vertrouwen in God. Het is een poëtisch getuigenis waarin de psalmist Gods goedertierenheid, trouw en redding bezingt. Dit hoofdstuk wordt vaak verbonden met liturgische feesten van Israël, mogelijk het Loofhuttenfeest. De psalm is rijk aan beelden van vijanden die omsingelen, Gods verlossende kracht, en de oproep om Zijn eeuwige liefde te belijden. Bekend is vooral de tekst over de steen die door de bouwlieden verworpen werd, maar tot een hoeksteen is geworden. Deze psalm heeft diepe profetische betekenis en wordt in het Nieuwe Testament aangehaald met betrekking tot Jezus Christus.

Goddelijke goedertierenheid als fundament

Psalm 118 opent met een krachtige oproep: “Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.” Deze lofzang wordt herhaald door drie groepen: Israël, het huis van Aaron en allen die de HEERE vrezen. Dit herhalen benadrukt dat Gods trouw niet beperkt is tot een volk of een priesterlijke familie, maar allen omvat die Hem vrezen. De kern van de psalm is dat Gods liefde niet eindigt; Zijn goedheid is een eeuwig fundament waar het leven van de gelovige op rust.

Redder in benauwdheid

De psalmist vertelt hoe hij uit grote nood God aanriep, en hoe de HEERE hem verhoorde en ruimte gaf. In plaats van angst klinkt er vertrouwen: “De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?” Dit getuigenis maakt duidelijk dat menselijke macht en steun niet te vergelijken zijn met Gods bescherming. Waar mensen falen, blijft God een rots. De tekst benadrukt dat het beter is tot de HEERE de toevlucht te nemen dan op mensen of vorsten te vertrouwen.

Omringd door vijanden

Een belangrijk deel van de psalm beschrijft hoe de vijanden de psalmist omsingelden, “als bijen”, maar in de Naam van de HEERE werden zij verdelgd. Dit beeld laat zien hoe zwaar de strijd was en hoe overweldigend de druk van vijanden kan voelen. Toch blijkt telkens dat de overwinning niet van menselijke kracht komt, maar van Gods machtige rechterhand. Het volk van God wordt herinnerd dat hun redding in Hem ligt, ook wanneer de vijanden talrijk zijn.

Gods rechterhand doet krachtige daden

De toon van de psalm verandert naar jubel: “De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.” In de tenten van de rechtvaardigen klinkt gejuich over Gods krachtige daden. Zijn rechterhand is verhoogd en doet machtige werken. Dit verlossingslied maakt duidelijk dat leven en overwinning geen toeval zijn, maar een bewuste gave van God. De psalmist verklaart dat hij niet zal sterven, maar leven om Gods daden te verkondigen.

De poorten der gerechtigheid

De psalmist roept op om de poorten der gerechtigheid te openen, zodat hij kan binnengaan en God loven. Hier klinkt een beeld van de tempel of het heiligdom, waar rechtvaardigen toegang vinden tot Gods tegenwoordigheid. Dit benadrukt dat aanbidding en dankbaarheid niet alleen innerlijk beleefd worden, maar ook zichtbaar worden in de gemeenschap rondom Gods huis.

De steen die verworpen werd

Een bekend en diepzinnig vers volgt: “De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is tot een hoofd des hoeks geworden.” Dit beeld is in zijn oorspronkelijke context een verwijzing naar Gods handelen met Zijn volk: wat door mensen wordt veracht, verheft God tot fundament. In het Nieuwe Testament wordt dit toegepast op Jezus Christus, die door velen verworpen werd maar door God tot hoeksteen is gemaakt. Deze profetische lading geeft Psalm 118 een centrale plaats in de christelijke geloofsbeleving.

De dag die de HEERE gemaakt heeft

De psalm vervolgt met een jubelverklaring: “Dit is de dag, die de HEERE gemaakt heeft; laten wij ons verheugen en verblijden daarin.” Deze woorden herinneren de gelovige eraan dat elke dag een gave van God is, en dat verlossing en leven redenen zijn tot voortdurende dankbaarheid. Het is niet zomaar een dag, maar een dag die door God Zelf gewild en geheiligd is.

Gebed om heil en zegen

Er klinkt een gebed: “Och HEERE, geef nu heil! Och HEERE, geef nu voorspoed!” Dit is een nederige erkenning dat de mens afhankelijk blijft van Gods genade en leiding. Daarna volgt de zegengroet: “Gezegend zij hij die komt in de Naam des HEEREN.” Dit vers wordt in de evangeliën toegepast op de intocht van Jezus in Jeruzalem, waar het volk Hem begroette als de gezegende die in Gods Naam komt.

Dankoffers en lof

De psalm eindigt met een plechtige dankbetuiging. Het altaar en de offers worden verbonden met feestelijke lofzang. De HEERE wordt erkend als God die licht geeft, en er wordt opgeroepen om Hem te loven met dankbaarheid en vreugde. De psalm sluit zoals hij begon: “Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.”

Betekenis voor vandaag

Psalm 118 spreekt nog steeds krachtig tot gelovigen. Het is een psalm die moed geeft in benauwdheid, die wijst op Gods trouw boven menselijke macht, en die profetisch vooruitwijst naar Christus, de hoeksteen van het geloof. Het herinnert eraan dat lofprijzing niet alleen een persoonlijke uiting is, maar ook een collectieve daad in de gemeenschap van gelovigen.

Wie deze psalm leest, vindt er hoop, bemoediging en een oproep tot dankbaarheid. Het laat zien dat God Degene is die redt, beschermt en leidt – en dat Zijn goedertierenheid werkelijk in eeuwigheid is.


Psalmen 118

1 Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

2 Dat Israël nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.

3 Het huis van Aäron zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.

4 Dat degenen, die den HEERE vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.

5 Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.

6 De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?

7 De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.

8 Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.

9 Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.

10 Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.

11 Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.

12 Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.

13 Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.

14 De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.

15 In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.

16 De rechterhand des HEEREN is verhoogd; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.

17 Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.

18 De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.

19 Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.

20 Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan.

21 Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.

22 De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.

23 Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.

24 Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn.

25 Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed.

26 Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.

27 De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.

28 Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.

29 Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.