Home Bijbel dagelijks Nieuwe Testament 40 Mattheüs Mattheüs 5: Zaligsprekingen en leer van Jezus

Mattheüs 5: Zaligsprekingen en leer van Jezus

0
1394
Jezus onderwijst de Zaligsprekingen aan een diverse menigte, afgebeeld in expressieve streetart-stijl met felle kleuren.
Deze mural toont Jezus die de Zaligsprekingen uit Mattheüs 5 onderwijst aan een aandachtige menigte, in streetart-stijl.

Mattheüs 5 vormt het begin van de beroemde Bergrede, waarin Jezus zijn volgelingen onderwijst over het ware karakter van het Koninkrijk der hemelen. Hier volgt een samenvatting in ongeveer 500 woorden:

In dit hoofdstuk beklimt Jezus een berg en gaat zitten om zijn discipelen te onderwijzen. Hij opent met de zaligsprekingen (vers 3-12), een serie uitspraken waarin Hij mensen zalig noemt die normaal gesproken niet als gezegend worden beschouwd. Hij spreekt over de armen van geest, de treurenden, de zachtmoedigen, zij die hongeren naar gerechtigheid, de barmhartigen, de reinen van hart, de vredestichters, en zij die vervolgd worden om de gerechtigheid. Aan hen belooft Hij het Koninkrijk der hemelen, vertroosting, verzadiging, en dat zij God zullen zien. Jezus bemoedigt ook degenen die omwille van Hem bespot of vervolgd worden, en zegt dat hun loon groot is in de hemel.

Daarna noemt Jezus zijn volgelingen het “zout der aarde” en het “licht der wereld” (vers 13-16). Hij spoort hen aan hun goede werken te laten zien zodat God geëerd wordt. Hij benadrukt vervolgens dat Hij niet gekomen is om de wet of de profeten af te schaffen, maar om die te vervullen (vers 17-20). Hij maakt duidelijk dat de gerechtigheid van zijn volgelingen groter moet zijn dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën, anders zullen zij het Koninkrijk niet binnengaan.

Jezus gaat verder met het verdiepen van enkele geboden uit de wet. Hij bespreekt onder andere moord, overspel, echtscheiding, het afleggen van eden, wraak, en liefde voor de naaste (vers 21-48). In elk geval laat Hij zien dat het niet alleen om uiterlijke gehoorzaamheid gaat, maar om de intentie van het hart.

Bijvoorbeeld, Hij zegt dat zelfs iemand kwaad zijn op zijn broeder onder Gods oordeel valt, en dat het kijken met begeerte naar een vrouw gelijk staat aan overspel. Over echtscheiding zegt Hij dat het leiden tot overspel kan zijn, tenzij er sprake is van hoererij. Over eden leert Hij dat men gewoon eerlijk moet zijn, zonder te zweren. Hij keert zich tegen de gebruikelijke praktijk van vergelding en roept op tot radicaal vergevingsgezind gedrag: de andere wang toekeren, zelfs vijanden liefhebben.

Het hoofdstuk sluit af met een oproep tot volmaaktheid: “Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.” Hiermee benadrukt Jezus de heilige standaard die God van zijn kinderen verlangt: een leven vol liefde, zuiverheid en toewijding, dat boven uiterlijke wetsbetrachting uitstijgt.

Mattheüs 5 vormt daarmee de kern van Jezus’ leer over wat het betekent om een burger van het Koninkrijk der hemelen te zijn: niet slechts religieuze regels volgen, maar een vernieuwd hart dat leeft in liefde, nederigheid en afhankelijkheid van God.


Mattheüs 5

1 En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.

2 En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:

3 Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.

5 Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven.

6 Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

7 Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.

8 Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.

9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

10 Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

11 Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.

12 Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.

13 Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, envan de mensen vertreden te worden.

14 Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.

15 Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn;

16 Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.

18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.

19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk derhemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.

20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeen, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.

21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.

22 Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn doorden groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.

23 Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;

24 Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.

25 Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en derechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.

26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.

27 Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.

28 Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.

29 Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpenworde.

30 En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpenworde.

31 Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.

32 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, diedoet overspel.

33 Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.

34 Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;

35 Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;

36 Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;

37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.

38 Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.

39 Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;

40 En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;

41 En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.

42 Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.

43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.

44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;

45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen enonrechtvaardigen.

46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

47 En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?

48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.