
Mattheüs 4 beschrijft een belangrijk moment in het begin van Jezus’ openbare bediening. Het hoofdstuk begint met de beproeving van Jezus in de woestijn. Door de Geest geleid, verblijft Hij daar veertig dagen en nachten, zonder te eten. Aan het einde van deze periode wordt Hij op drie manieren verzocht door de duivel.
De eerste verzoeking is fysiek van aard: de duivel spoort Jezus aan om stenen in brood te veranderen, maar Jezus antwoordt met Schriftwoord dat de mens niet van brood alleen leeft, maar van elk woord dat uit Gods mond voortkomt. Bij de tweede verzoeking neemt de duivel Jezus mee naar het hoogste punt van de tempel in Jeruzalem en daagt Hem uit Zichzelf naar beneden te werpen, verwijzend naar psalmen die Gods bescherming beloven. Jezus weerstaat dit door te zeggen dat men God niet op de proef mag stellen. In de derde verzoeking toont de duivel Jezus alle koninkrijken van de wereld en biedt Hij die aan in ruil voor aanbidding. Jezus wijst dit krachtig af en zegt dat men alleen God mag aanbidden en Hem alleen dienen. Na deze weigeringen verlaat de duivel Hem en verschijnen er engelen om Hem te dienen.
Vervolgens begint Jezus met Zijn prediking nadat Hij verneemt dat Johannes de Doper is gevangengenomen. Hij vestigt zich in Kapernaüm, een stad in Galilea, waarmee Hij vervulling geeft aan de profetie van Jesaja over het licht dat zou schijnen in het gebied van Zebulon en Naftali – een aanduiding van de komst van het licht voor de volken die in duisternis leven.
Jezus begint Zijn prediking met dezelfde boodschap als Johannes: “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” Daarna roept Hij Zijn eerste discipelen. Terwijl Hij langs de Zee van Galilea wandelt, roept Hij Simon Petrus en zijn broer Andreas, die vissers zijn. Jezus zegt hen dat Hij hen vissers van mensen zal maken. Vervolgens roept Hij ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die eveneens hun netten achterlaten om Hem te volgen.
Het hoofdstuk sluit af met een samenvatting van Jezus’ vroege bediening: Hij onderwijst in de synagogen, predikt het Evangelie van het Koninkrijk en geneest allerlei ziekten en kwalen onder het volk. Zijn faam verspreidt zich snel over geheel Syrië. Grote menigten uit Galilea, Dekapolis, Jeruzalem, Judea en over de Jordaan volgen Hem.
Mattheüs 4
1 Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.
2 En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.
3 En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.
4 Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.
5 Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;
6 En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op dehanden zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.
7 Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.
8 Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;
9 En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.
10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.
11 Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.
12 Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd naar Galilea;
13 En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;
14 Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:
15 Het land Zebulon en het land Nafthali aan den weg der zee over de Jordaan, Galilea der volken;
16 Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en dengenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan.
17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
18 En Jezus, wandelende aan de zee van Galilea, zag twee broeders, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder, het net in de zee werpende (wantzij waren vissers);
19 En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.
20 Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.
21 En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hunvader Zebedeus, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen.
22 Zij dan, terstond verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd.
23 En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.
24 En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrie; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde,en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.
25 En vele scharen volgden Hem na, van Galilea en van Dekapolis, en van Jeruzalem, en van Judea, en van over de Jordaan.








