
In Leviticus 20 spreekt God tot Mozes met duidelijke wetten en bijbehorende straffen voor het volk Israël. De nadruk ligt op heiligheid, trouw aan God en het vermijden van heidense praktijken die het land bezoedelen. Dit hoofdstuk is een oproep tot reinheid, rechtvaardigheid en afzondering als Gods volk.
Doodstraf voor afgoderij en kinderoffers
Het hoofdstuk opent met een herhaalde waarschuwing tegen het offeren van kinderen aan de afgod Moloch. Degenen die zich hieraan schuldig maken moeten gestenigd worden. Ook wie dit toelaat zonder tussenbeide te komen, zal door God zelf uit het volk worden uitgeroeid. Dit onderstreept Gods absolute afkeer van afgoderij en kinderoffers.
Verbod op waarzeggerij en spiritisme
Er wordt duidelijk gesteld dat wie zich inlaat met waarzeggerij of dodenbezwering door God zelf zal worden afgekeerd. Dit is onrein en staat haaks op Gods orde. God roept op tot afzondering van zulke praktijken en benadrukt dat Hij het volk apart gezet heeft.
Seksuele zonden en hun gevolgen
Het merendeel van het hoofdstuk bestaat uit straffen voor seksuele misdrijven. Het betreft onder andere overspel, incest, homoseksualiteit en bestialiteit. De opgelegde straffen zijn zwaar: vaak de dood, verbanning of kinderloosheid. Door deze vergrijpen wordt het land verontreinigd. Israël moet zich daarvan onthouden om het land te behouden.
Oproep tot heiligheid en onderscheid
Het volk wordt opgeroepen zich van andere volken te onderscheiden, niet alleen in hun daden maar ook in hun denken. Ze zijn geroepen om heilig te zijn zoals de HEERE heilig is. Dit betekent leven naar Zijn geboden, het onderscheiden van rein en onrein, en trouw zijn aan de wetten van het verbond.
Heiliging door gehoorzaamheid
Tot slot benadrukt God dat Hij Israël uit Egypte heeft geleid met een doel: opdat zij Zijn eigendom zouden zijn. Door zich te houden aan Zijn bepalingen, tonen zij hun toewijding en worden zij geheiligd. Niet hun afkomst, maar hun gehoorzaamheid maakt hen bijzonder.
Leviticus 20
| 1 | Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: |
| 2 | Gij zult ook tot de kinderen Israels zeggen: Een ieder uit de kinderen Israels, of uit de vreemdelingen, die in Israel als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad denMolech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk des lands zal hem met stenen stenigen. |
| 3 | En Ik zal Mijn aangezicht tegen dien man zetten, en zal hem uit het midden zijns volks uitroeien; want hij heeft van zijn zaad den Molech gegeven, opdat hij Mijnheiligdom ontreinigen, en Mijn heiligen Naam ontheiligen zou. |
| 4 | En indien het volk des lands hun ogen enigzins verbergen zal van dien man, als hij van zijn zaad den Molech zal gegeven hebben, dat het hem niet dode; |
| 5 | Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen dien man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om den Molech na te hoereren, uit hetmidden huns volks uitroeien. |
| 6 | Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die zielzetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien. |
| 7 | Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben de HEERE, uw God! |
| 8 | En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet dezelve; Ik ben de HEERE, Die u heilige. |
| 9 | Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem! |
| 10 | Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, dewijl hij met zijns naasten vrouw overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, deoverspeler en de overspeelster. |
| 11 | En een man, die bij zijns vaders huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijns vaders schaamte ontdekt; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen! |
| 12 | Insgelijks, als de man bij de vrouw zijns zoons zal gelegen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hunbloed is op hen! |
| 13 | Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden;hun bloed is op hen! |
| 14 | En wanneer een man een vrouw en haar moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem, en diezelve met vuur verbranden, opdat geenschandelijke daad in het midden van u zij. |
| 15 | Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult gijlieden het beest doden. |
| 16 | Alzo wanneer een vrouw tot enig beest genaderd zal zijn, om daarmede te doen te hebben, zo zult gij die vrouw en dat beest doden; zij zullen zekerlijk gedoodworden; hun bloed is op hen! |
| 17 | En als een man zijn zuster, de dochter zijns vaders, of de dochter zijner moeder, zal genomen hebben, en hij haar schaamte gezien, en zij zijn schaamte zal gezienhebben, het is een schandvlek; daarom zullen zij voor de ogen van de kinderen huns volks uitgeroeid worden; hij heeft de schaamte zijner zuster ontdekt, hij zal zijnongerechtigheid dragen. |
| 18 | En als een man bij een vrouw, die haar krankheid heeft, zal gelegen en haar schaamte ontdekt, haar fontein ontbloot, en zij zelve de fontein haars bloeds ontdekt zalhebben, zo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden. |
| 19 | Daartoe zult gij de schaamte van de zuster uwer moeder, en van de zuster uws vaders niet ontdekken; dewijl hij zijn nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hunongerechtigheid dragen. |
| 20 | Als ook een man bij zijn moei zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte zijns ooms ontdekt; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven. |
| 21 | En wanneer een man zijns broeders huisvrouw zal genomen hebben, het is onreinigheid; hij heeft de schaamte zijns broeders ontdekt; zij zullen zonder kinderen zijn. |
| 22 | Onderhoudt dan al Mijn inzettingen en al Mijn rechten, en doet dezelve; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen, niet uitspuwe. |
| 23 | En wandelt niet in de inzettingen des volks, hetwelk Ik voor uw aangezicht uitwerp; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietiggeworden. |
| 24 | En Ik heb u gezegd: Gij zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat gij hetzelve erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honig; Ik ben de HEERE,uw God, Die u van de volken afgezonderd heb! |
| 25 | Daarom zult gij onderscheid maken tussen reine en onreine beesten, en tussen het onreine en reine gevogelte; en gij zult uw zielen niet verfoeilijk maken aan debeesten en aan het gevogelte, en aan al wat op den aardbodem kruipt, hetwelk Ik voor u afgezonderd heb, opdat gij het onrein houdt. |
| 26 | En gij zult Mij heilig zijn, want Ik, de HEERE, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat gij Mijns zoudt zijn. |
| 27 | Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggenden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenenstenigen; hun bloed is op hen. |








