
In Leviticus 21 spreekt God tot Mozes met specifieke instructies voor de priesters, de zonen van Aäron. Deze regels onderscheiden hen van het volk en benadrukken hun heilige taak. Heiligheid en zuiverheid zijn essentieel, vooral voor degenen die naderen tot het heiligdom van God.
Beperkingen in rouw en huwelijk (vers 1–9)
Priesters mogen zich niet verontreinigen door contact met doden, behalve bij naaste familieleden zoals ouders, kinderen, broers en ongehuwde zussen. Ze mogen niet rouwen zoals de volken dat doen. Ze mogen niet trouwen met een hoer, een onteerde vrouw of een gescheiden vrouw. Alleen een maagd uit hun volk is toegestaan. Deze voorschriften onderstrepen hun bijzondere toewijding aan God.
Heiligheid van de hogepriester (vers 10–15)
De hogepriester heeft nog strengere voorschriften. Hij mag zich niet verontreinigen, zelfs niet voor zijn ouders. Hij mag ook niet zijn hoofd ontbloten of zijn kleren scheuren in rouw. Zijn huwelijk moet met een maagd zijn, en hij mag zijn nageslacht niet ontheiligen. Zijn rol is uniek, omdat hij de zalfolie van God draagt.
Uitsluitingen wegens lichamelijke gebreken (vers 16–24)
God bepaalt dat een priester met een lichamelijk gebrek — zoals blindheid, kreupelheid of een misvorming — niet mag naderen om offers te brengen. Hoewel hij wel van de heilige gaven mag eten, mag hij het heiligdom niet betreden of dienst doen bij het altaar. Deze voorschriften onderstrepen de noodzaak van volmaaktheid in de dienst tot God.
Conclusie
Leviticus 21 benadrukt de heiligheid en afzondering van priesters, vooral in hun gedrag, uiterlijk en dagelijkse praktijk. Deze regels herinneren het volk eraan dat degenen die in Gods nabijheid dienen, apart moeten zijn en het heilige niet mogen ontwijden.
Leviticus 21
| 1 | Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aaron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijnvolken. |
| 2 | Behalve over zijn bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijn moeder en over zijn vader, en over zijn zoon, en over zijn dochter, en over zijn broeder. |
| 3 | En over zijn zuster, die maagd is, hem nabestaande, die nog geen man toebehoord heeft; over die zal hij zich verontreinigen. |
| 4 | Hij zal zich niet verontreinigen over een overste onder zijn volken, om zich te ontheiligen. |
| 5 | Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen den hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden. |
| 6 | Zij zullen hun God heilig zijn, en den Naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuurofferen des HEEREN, de spijze huns Gods; daarom zullenzij heilig zijn. |
| 7 | Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man verstoten is; want hij is zijn God heilig. |
| 8 | Daarom zult gij hem heiligen, omdat hij de spijze uws Gods offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben de HEERE, Die u heilige! |
| 9 | Als nu de dochter van enigen priester zal beginnen te hoereren, zij ontheiligt haar vader; met vuur zal zij verbrand worden. |
| 10 | En hij, die de hogepriester onder zijn broederen is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die klederen aan te trekken, zal zijnhoofd niet ontbloten, noch zijn klederen scheuren. |
| 11 | Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen. |
| 12 | En uit het heiligdom zal hij niet uitgaan, dat hij het heiligdom zijns Gods niet ontheilige, want de kroon der zalfolie zijns Gods is op hem; Ik ben de HEERE! |
| 13 | Hij zal ook een vrouw in haar maagdom nemen. |
| 14 | Een weduwe, of verstotene, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar een maagd uit zijn volken zal hij tot een vrouw nemen. |
| 15 | En hij zal zijn zaad onder zijn volken niet ontheiligen; want Ik ben de HEERE, Die hem heilige! |
| 16 | Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: |
| 17 | Spreek tot Aaron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wien een gebrek zal zijn, zal naderen, om de spijze zijns Gods te offeren. |
| 18 | Want geen man, in wien een gebrek zal zijn, zal naderen, hij zij een blind man, of kreupel, of te kort, of te lang in leden; |
| 19 | Of een man, in wien een breuk des voets, of een breuk der hand zal zijn; |
| 20 | Of die bultachtig, of dwergachtig zal zijn, of een vel op zijn oog zal hebben, of droge schurftheid, of etterige schurftheid, of die gebroken zal zijn aan zijn gemacht. |
| 21 | Geen man, uit het zaad van Aaron, den priester, in wien een gebrek is, zal toetreden om de vuurofferen des HEEREN te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niettoetreden, om de spijs zijns Gods te offeren. |
| 22 | De spijs zijns Gods, van de allerheiligste dingen, en van de heilige dingen, zal hij mogen eten; |
| 23 | Doch tot den voorhang zal hij niet komen, en tot het altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheilige; want Ik ben deHEERE, Die hen heilige! |
| 24 | En Mozes sprak zulks tot Aaron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels. |








