
Leviticus 27 sluit het boek af met bepalingen over geloften en heilige toewijdingen aan de HEERE. Dit zijn vrijwillige daden van aanbidding waarbij mensen, dieren, huizen of stukken land aan God gewijd kunnen worden. Het hoofdstuk legt vast hoe deze geloften kunnen worden ingelost door een afkoopsom, en benadrukt dat wat eenmaal geheiligd is, heilig blijft.
Losprijzen van personen gewijd aan de HEERE (vers 1–8)
Iemand kon een gelofte doen waarbij een persoon (meestal zichzelf of een familielid) aan de HEERE werd toegewijd. In plaats van die persoon levenslang in dienst van het heiligdom te stellen, kon men hem ‘lossen’ door een losprijs te betalen. Het bedrag varieerde naar leeftijd en geslacht: mannen waren doorgaans meer waard dan vrouwen, en jongvolwassenen meer dan ouderen of kinderen. Als iemand te arm was om het volle bedrag te betalen, kon de priester een passende som vaststellen.
Heilige dieren en hun losprijs (vers 9–13)
Dieren die geschikt waren voor offerdienst en als gelofte aan de HEERE gegeven werden, mochten niet ingewisseld of vervangen worden. Gebeurde dit toch, dan werden beide dieren heilig. Onreine dieren, die niet geofferd konden worden, konden wel gelost worden tegen een door de priester bepaalde prijs, vermeerderd met twintig procent.
Wijding van huizen en akkers (vers 14–25)
Een huis kon eveneens geheiligd worden aan de HEERE. De priester bepaalde de waarde, afhankelijk van de staat van het huis. Wie het huis terugkocht, betaalde twintig procent extra.
Ook velden konden aan God gewijd worden. Hun waarde werd berekend op basis van het zaaigoed dat het veld kon opleveren, gerekend naar een standaardmaat. De prijs werd aangepast aan het aantal jaren tot het Jubeljaar. Ook hier gold: wie het terugkocht, betaalde twintig procent bovenop de vastgestelde waarde.
Als iemand een veld verkocht dat hij eerst aan de HEERE had gewijd, verloor hij het recht om het in het Jubeljaar terug te kopen — het bleef dan eeuwig aan God toegewijd.
Wat geheel aan de HEERE gewijd is (vers 26–33)
Sommige dingen mochten niet gelost worden. De eerstgeborenen van dieren, die al van nature aan de HEERE toebehoren, mochten niet opnieuw gewijd worden. Als men een onrein eerstgeboren dier wilde lossen, moest men twintig procent extra betalen.
Dingen die iemand volledig aan de HEERE gewijd had (“ban”) konden niet teruggekocht worden, zelfs niet mensen — deze werden onherroepelijk Gods eigendom.
Daarnaast moest elk tiende deel van de opbrengst van land, vruchten of vee aan God gegeven worden. Ook hiervan kon men eventueel iets lossen, mits met twintig procent toeslag.
Conclusie
Leviticus 27 laat zien dat aanbidding en toewijding aan God serieus genomen moesten worden. Wat aan de HEERE werd beloofd, moest ook gehouden of zorgvuldig gelost worden. Zo eindigt Leviticus met een oproep tot eerbied, trouw en het houden van beloften.
Leviticus 27
| 1 | Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: |
| 2 | Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer iemand een gelofte zal afgezonderd hebben, naar uw schatting zullen de zielen des HEEREN zijn. |
| 3 | Als uw schatting eens mans zal zijn van twintig jaren oud, tot een, die zestig jaren oud is; dan zal uw schatting zijn van vijftig sikkelen zilvers, naar den sikkel desheiligdoms. |
| 4 | Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting zijn dertig sikkelen. |
| 5 | En is het van een, die vijf jaren oud is, tot een, die twintig jaren oud is, zo zal uw schatting van een man twintig sikkelen zijn, en voor een vrouw tien sikkelen. |
| 6 | Maar is het van een, die een maand oud is, tot een, die vijf jaren oud is, zo zal uw schatting van een man zijn vijf sikkelen zilvers, en uw schatting over een vrouw zalzijn drie sikkelen zilvers. |
| 7 | En is het van een, die zestig jaren oud is en daarboven, is het een man, zo zal uw schatting zijn vijftien sikkelen, en voor een vrouw tien sikkelen. |
| 8 | Maar zo hij armer is, dan uw schatting, zo zal hij zich voor het aangezicht des priesters zetten, opdat de priester hem schatte; naar dat de hand desgenen, die degelofte gedaan heeft, zal kunnen bekomen, zal de priester hem schatten. |
| 9 | En indien het een beest is, waarvan men den HEERE offerande offert; al wat hij daarvan den HEERE zal gegeven hebben, zal heilig zijn. |
| 10 | Hij zal niet vermangelen, noch hetzelve verwisselen, een goed voor een kwaad, of een kwaad voor een goed; indien hij nochtans een beest voor een beest enigzinsverwisselt, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn. |
| 11 | En indien het enig onrein beest is, van hetwelk men den HEERE geen offerande offert, zo zal hij dat beest voor het aangezicht des priesters zetten. |
| 12 | En de priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, priester! zo zal het zijn. |
| 13 | Maar indien hij het immers lossen zal, zo zal hij deszelfs vijfde deel boven uw schatting toedoen. |
| 14 | En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het den HEERE heilig zij, zo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; gelijk als de priesterdat geschat zal hebben, zo zal het stand hebben. |
| 15 | En indien hij, die het geheiligd heeft, zijn huis zal lossen, zo zal hij een vijfde deel des gelds uwer schatting daarboven toedoen, zo zal het zijne zijn. |
| 16 | Indien ook iemand van den akker zijner bezitting den HEERE wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting zijn naar zijn zaad; een homer gerstezaad zal zijn opvijftig sikkelen zilvers. |
| 17 | Indien hij zijn akker van het jubeljaar af geheiligd zal hebben, zo zal het naar uw schatting stand hebben. |
| 18 | Maar zo hij zijn akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester het geld rekenen, naar de jaren, die nog overig zijn tot het jubeljaar; en het zalvan uw schatting afgetrokken worden. |
| 19 | En indien hij, die den akker geheiligd heeft, denzelven ganselijk lossen zal, zo zal hij een vijfde deel des gelds uwer schatting daarboven toedoen, en dezelve zal hemgevestigd zijn. |
| 20 | En indien hij dien akker niet zal lossen, of indien hij dien akker aan een anderen man verkocht heeft, zo zal hij niet meer gelost worden. |
| 21 | Maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal den HEERE heilig zijn, als een verbannen akker; de bezitting daarvan zal des priesters zijn. |
| 22 | En indien hij den HEERE een akker heeft geheiligd, dien hij gekocht heeft, en niet is van den akker zijner bezitting; |
| 23 | Zo zal de priester hem rekenen de som uwer schatting tot het jubeljaar; en hij zal op denzelven dag uw schatting geven, een heiligheid den HEERE. |
| 24 | In het jubeljaar zal die akker wederkomen tot dien, van wien hij hem gekocht had, tot hem, wiens de bezitting van dat land was. |
| 25 | Al uw schatting nu zal naar den sikkel des heiligdoms geschieden; de sikkel zal zijn van twintig gera. |
| 26 | Maar het eerstgeborene, dat den HEERE van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is des HEEREN. |
| 27 | Doch is het van een onrein beest, hij zal dat lossen naar uw schatting, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en indien het niet gelost wordt, zo zal het verkochtworden, naar uw schatting. |
| 28 | Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand den HEERE zal verbannen hebben, van al hetgeen hij heeft, van een mens, of van een beest, of van den akker zijnerbezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal den HEERE een heiligheid der heiligheden zijn. |
| 29 | Al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden; het zal zekerlijk gedood worden. |
| 30 | Ook alle tienden des lands, van het zaad des lands, van de vrucht van het geboomte, zijn des HEEREN; zij zijn den HEERE heilig. |
| 31 | Maar zo iemand van zijn tienden immer iets lossen zal, hij zal zijn vijfde deel daarboven toedoen. |
| 32 | Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal den HEERE heilig zijn. |
| 33 | Hij zal tussen het goede en het kwade niet onderzoeken; hij zal het ook niet verwisselen; maar indien hij het immers verwisselen zal, zo zal dit, en wat daarvoorverwisseld is, heilig zijn; het zal niet gelost worden. |








