Kolossenzen 3: Leven in Christus en nieuwe mens

0
1342

Kolossenzen 3 vormt het hart van Paulus’ brief aan de gemeente in Kolosse. In dit hoofdstuk roept Paulus christenen op om hun nieuwe identiteit in Christus actief te leven. Hij wijst op de noodzaak om het oude, zondige leven af te leggen en te leven als nieuwe mensen, gevormd door liefde, vergeving en godsvrucht. De tekst benadrukt praktische heiligheid in het dagelijks leven en biedt richtlijnen voor relaties binnen gezin en werkkring. De boodschap is even tijdloos als relevant.

De hemelgerichte levenshouding (vers 1-4)

Paulus opent met een krachtige oproep: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen die boven zijn” (vers 1). Dit vormt de grondslag voor het hele hoofdstuk. Christenen worden eraan herinnerd dat zij met Christus zijn gestorven en opgewekt in een nieuw leven. Hun echte identiteit is “verborgen met Christus in God”.

Deze geestelijke waarheid heeft een directe impact: het leven hier en nu moet gericht zijn op de hemelse realiteit, niet op aardse verlangens of vergankelijke zaken. Christus wordt gepresenteerd als het leven zelf, en bij Zijn verschijning zal ook de gelovige in heerlijkheid verschijnen (vers 4).

Kernbegrippen:

  • Opstanding met Christus
  • Zoeken naar wat boven is
  • Verborgen leven in God
  • Eeuwige heerlijkheid in Christus

Het oude afleggen, het nieuwe aandoen (vers 5-17)

In dit gedeelte wordt de praktische kant van het christen-zijn uitgelegd. Paulus maakt een scherpe scheiding tussen het oude leven en het nieuwe leven. Het oude moet “gedood” worden: seksuele immoraliteit, onreinheid, hartstochten, kwade begeerten en hebzucht (vers 5). Ook boosheid, kwaadsprekerij, leugen en laster worden genoemd als onverenigbaar met het leven in Christus (vers 8-9).

Daartegenover staat het “aandoen van de nieuwe mens”, die vernieuwd wordt naar het beeld van zijn Schepper (vers 10). Liefde wordt als de grootste deugd genoemd: “de band der volmaaktheid” (vers 14). De vrede van Christus moet heersen in de harten van de gelovigen, en Zijn Woord moet rijkelijk in hen wonen (vers 15-16). Dankbaarheid vormt hierbij een constante houding.

Kernpunten:

Christelijke relaties in huis en werk (vers 18-25)

Het laatste deel van Kolossenzen 3 richt zich op de praktische toepassing van het geloof in relaties. Paulus spreekt tot echtgenotes, echtgenoten, kinderen, vaders en slaven (werknemers). Hierin staan respect, liefde, gehoorzaamheid en rechtvaardigheid centraal.

  • Vrouwen wordt opgeroepen hun man onderdanig te zijn.
  • Mannen moeten hun vrouw liefhebben en niet verbitterd zijn.
  • Kinderen moeten hun ouders gehoorzamen.
  • Vaders wordt geboden hun kinderen niet te tergen.
  • Dienaars/slaven (toepasbaar op werkrelaties) moeten hun werk doen alsof het voor de Heer is, niet voor mensen.

Deze principes zijn fundamenteel voor een vreedzaam, Godgericht samenleven. Paulus eindigt met een herinnering dat allen verantwoording zullen afleggen aan de Heer, die geen aannemer des persoons is (vers 25).

 


Kolossenzen 3

1 Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.

2 Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

3 Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.

4 Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

5 Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.

6 Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid;

7 In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet.

8 Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond.

9 Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken,

10 En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft;

11 Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen.

12 Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;

13 Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.

14 En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.

15 En de vrede Gods heerse in uw harten, tot welken gij ook geroepen zijt in een lichaam; en weest dankbaar.

16 Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.

17 En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den Naam van den Heere Jezus, dankende God en den Vader door Hem.

18 Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere.

19 Gij mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar.

20 Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in alles, want dat is den Heere welbehagelijk.

21 Gij vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.

22 Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vrezende God.

23 En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den mensen;

24 Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus.

25 Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming des persoons.