Home Bijbel dagelijks Nieuwe Testament 43 Johannes Johannes 11: Opstanding van Lazarus

Johannes 11: Opstanding van Lazarus

0
1250
Streetartbeeld van Jezus die Lazarus opwekt, met verbaasde vrouwen, vurige lucht en een open graf in romantische stijl.
Jezus roept Lazarus uit het graf terwijl omstanders vol ontzag toekijken – een krachtig streetart-beeld van Johannes 11.

Johannes 11 vormt een dramatisch hoogtepunt in het Johannesevangelie. Het verhaal van de opwekking van Lazarus uit de dood is meer dan een wonderverhaal – het is een theologische proclamatie over Jezus’ identiteit, de kracht van het geloof, en het begin van de weg naar het kruis.

De episode markeert een overgang: van Jezus’ openbare optreden naar de voorbereidingen op zijn lijden. De gebeurtenissen ontrollen zich in Betanië, een klein dorpje nabij Jeruzalem, waar de dood wordt doorbroken door leven, en waar geloof en ongeloof frontaal botsen.

Het conflict tussen leven en dood

Lazarus’ ziekte en de boodschap aan Jezus (vers 1–6)

Lazarus, de broer van Maria en Marta, ligt ziek. Marta en Maria sturen boodschappers naar Jezus met de woorden: “Heere, zie, dien Gij lieft, is krank.” Jezus’ reactie is opvallend: “Deze krankheid is niet tot den dood, maar tot heerlijkheid Gods.” (Joh. 11:4, SV)

Hier opent Johannes een diepere laag: ziekte en dood zijn niet alleen biologische fenomenen, maar staan in dienst van Gods openbaring. Jezus wacht bewust twee dagen voordat Hij vertrekt – niet uit onverschilligheid, maar om Gods plan te volbrengen.

De reis naar Betanië: geloof op de proef gesteld

De discipelen en Tomas’ moed (vers 7–16)

De discipelen schrikken als Jezus wil teruggaan naar Judea – waar men Hem pas nog wilde stenigen. Tomas zegt dan moedige, maar wrange woorden: “Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven.”

Het getuigt van loyaliteit, maar ook van onbegrip. De leerlingen begrijpen nog niet wat Jezus bedoelt met leven door dood heen.

Marta en Maria: geloof in verdriet

Marta’s belijdenis (vers 17–27)

Als Jezus aankomt, ligt Lazarus al vier dagen in het graf. Marta komt Hem tegemoet en zegt: “Heere, indien Gij hier geweest waart, mijn broeder ware niet gestorven.” Toch voegt ze eraan toe: “Maar ook nu weet ik, dat al wat Gij van God begeren zult, God U geven zal.” (Joh. 11:21-22)

Jezus antwoordt met een van de meest beroemde uitspraken uit het evangelie:
“Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.” (Joh. 11:25)

Hier staat de kern van het christelijk geloof: Jezus is niet slechts een bemiddelaar van leven, Hij is het leven zelf.

Marta gelooft: “Gij zijt de Christus, de Zoon van God.” Dit belijdeniswoord plaatst haar in één lijn met Petrus (Mat. 16:16) en toont dat ook vrouwen dragers zijn van openbaring.

Maria’s emotie en Jezus’ ontroering

Jezus weent (vers 28–37)

Maria komt later naar Jezus toe en valt aan zijn voeten met dezelfde woorden als Marta. Maar dit keer volgt er iets anders: Jezus wordt innerlijk diep bewogen. Hij weent.

Het kortste vers in de Bijbel, “Jezus weende.” (Joh. 11:35), laat een diepe waarheid zien: de Zoon van God is niet koud of afstandelijk. Hij is Immanuel, God met ons – zelfs in verdriet. Zijn tranen zijn oprechte empathie, geen wanhoop.

Sommigen bewonderen zijn liefde, anderen spotten: “Kon Hij, Die de ogen des blindgeborenen opende, ook niet maken, dat deze niet gestorven ware?”

Het wonder bij het graf: roep tot leven

Jezus roept Lazarus uit de dood (vers 38–44)

Bij het graf gebiedt Jezus de steen weg te nemen. Marta protesteert – het lichaam ruikt al. Jezus herinnert haar aan haar geloof: “Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?” (Joh. 11:40)

Na een gebed tot de Vader roept Jezus met luide stem: “Lazarus, kom uit!”

En Lazarus komt – nog gebonden in grafdoeken, een levende getuige van Gods macht over de dood.

Reacties: verdeeldheid en vervolging

Geloof en verzet (vers 45–57)

Sommigen geloven onmiddellijk in Jezus. Anderen melden het aan de Farizeeën. Dit leidt tot een spoedzitting van het Sanhedrin. Kajafas, de hogepriester, profeteert zonder het te beseffen: “Het is ons nut, dat één Mens sterve voor het volk.”

Dat moment markeert een keerpunt. Vanaf nu wordt er planmatig gezocht om Jezus te doden. De opstanding van Lazarus versnelt het besluit tot Jezus’ eigen kruisweg.

Theologische reflectie

Wie is Jezus?

Johannes 11 onthult Jezus als:

  • De Opstanding en het Leven (Joh. 11:25)
  • Heer over dood en graf
  • Vol van mededogen en tranen

Dit hoofdstuk beantwoordt fundamentele vragen over leven en dood:
Is er hoop voorbij het graf? – Ja.
Heeft God weet van mijn lijden? – Ja.
Kan geloof iets veranderen? – Ja. Geloof is de sleutel tot de ervaring van Gods heerlijkheid.

Historisch en symbolisch perspectief

Waarom vier dagen?

In het joodse denken van die tijd werd aangenomen dat de ziel drie dagen in de buurt van het lichaam bleef. Op de vierde dag was de dood definitief. Jezus’ wonder is dus volledig onmiskenbaar bovennatuurlijk.

De grafdoeken

Lazarus komt uit het graf met grafdoeken – hij is levend, maar nog “gebonden”. Pas na Jezus’ opstanding zien we het lege graf, zonder doeken, als teken van volledige overwinning.

Conclusie: geloof dat de dood overwint

Johannes 11 is een oproep tot geloof, juist midden in verdriet, dood en onbegrip. Jezus vraagt ook aan jou:
“Geloof je dat Ik de Opstanding en het Leven ben?”

In onze wereld van rouw, verlies en afscheid, klinkt zijn stem nog steeds:
“Kom naar buiten!” – Leef. Vertrouw.


Johannes 11

1 En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanie, uit het vlek van Maria en haar zuster Martha.

2 (Maria nu was degene, die den Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lazarus krank was.)

3 Zijn zusters dan zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank.

4 En Jezus, dat horende, zeide: Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde.

5 Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lazarus lief.

6 Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was.

7 Daarna zeide Hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judea gaan.

8 De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi! de Joden hebben U nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat Gij wederom derwaarts?

9 Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet;

10 Maar indien iemand in den nacht wandelt, zo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is.

11 Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.

12 Zijn discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt, zo zal hij gezond worden.

13 Doch Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps.

14 Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven.

15 En Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt; doch laat ons tot hem gaan.

16 Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijn medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven.

17 Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf geweest was.

18 (Bethanie nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadien van daar.)

19 En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder.

20 Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten.

21 Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven;

22 Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.

23 Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan.

24 Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.

25 Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;

26 En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?

27 Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.

28 En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u.

29 Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem.

30 (Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.)

31 De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar hetgraf, opdat zij aldaar wene.

32 Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder nietgestorven.

33 Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven;

34 En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het.

35 Jezus weende.

36 De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had!

37 En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?

38 Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd.

39 Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.

40 Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?

41 Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.

42 Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.

43 En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit!

44 En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen:Ontbindt hem, en laat hem heengaan.

45 Velen dan uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden, hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in Hem.

46 Maar sommigen van hen gingen tot de Farizeen, en zeiden tot hen, hetgeen Jezus gedaan had.

47 De overpriesters dan en de Farizeen vergaderden den raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen.

48 Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk.

49 En een uit hen, namelijk Kajafas, die deszelven jaars hogepriester was, zeide tot hen: Gij verstaat niets;

50 En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat een mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.

51 En dit zeide hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk;

52 En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen.

53 Van dien dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.

54 Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden; maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad, genaamd Efraim, en verkeerde aldaarmet Zijn discipelen.

55 En het pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem, voor het pascha, opdat zij zichzelven reinigden.

56 Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den tempel: Wat dunkt u? Dunkt u, dat Hij niet komen zal tot het feest?

57 De overpriesters nu en de Farizeen hadden een gebod gegeven, dat, zo iemand wist, waar Hij was, hij het zou te kennen geven, opdat zij Hem mochten vangen.