
Johannes 21 beschrijft een diepzinnige ontmoeting tussen de opgestane Jezus en enkele van Zijn discipelen aan het Meer van Tiberias. Deze episode, vaak als epiloog van het Johannes-evangelie beschouwd, biedt troost, richting en bevestiging van Jezus’ blijvende aanwezigheid en opdracht.
Jezus verschijnt aan de zee van Tiberias
Setting: Terug naar de visserij
Na Jezus’ dood en opstanding keren enkele discipelen terug naar hun oorspronkelijke beroep: vissen. Simon Petrus zegt: “Ik ga vissen.” (Johannes 21:3), waarop zes anderen zich bij hem voegen. Ze vangen echter de hele nacht niets.
Deze schijnbare mislukking vormt het decor voor een symbolische openbaring. Jezus verschijnt in de vroege ochtend aan de oever, maar zij herkennen Hem niet direct (Joh. 21:4).
Wonderlijke vangst
Jezus roept hen toe: “Kinderen, hebt gij iets om te eten?” Zij antwoorden ontkennend. Hij zegt hen het net aan de rechterzijde van het schip uit te werpen. Het resultaat is een overvloed aan vis: 153 grote vissen (Joh. 21:11).
Deze gebeurtenis is niet slechts een wonder, maar een bevestiging van Jezus’ autoriteit en zegen, ook na Zijn opstanding. Het doet denken aan Lukas 5:1–11, waar Jezus eerder een wonderlijke vangst veroorzaakte bij de roeping van Petrus.
“Het is de Heere!”
De discipel die Jezus liefhad (Johannes zelf) herkent Hem als eerste: “Het is de Heere!” (Joh. 21:7). Petrus, impulsief als altijd, springt onmiddellijk in het water om Hem tegemoet te gaan.
Aan de oever vinden ze een kolenvuur met vis en brood – een teken van Jezus’ zorg en gastvrijheid. Hij nodigt hen uit voor de maaltijd: “Komt, houdt de maaltijd.” (Joh. 21:12). Jezus dient hen, zoals Hij eerder deed bij de voetwassing (Joh. 13).
De herstelling van Petrus
Drievoudige vraag: Hebt gij Mij lief?
In een teder maar diepgaand gesprek vraagt Jezus drie keer aan Petrus: “Hebt gij Mij lief?” (Joh. 21:15-17). Deze drievoudige vraag weerspiegelt Petrus’ driedubbele verloochening (Joh. 18:17, 25, 27).
Elke keer bevestigt Petrus zijn liefde, en telkens krijgt hij de opdracht: “Weid Mijn lammeren.” of “Hoed Mijn schapen.” Daarmee herstelt Jezus Petrus in zijn roeping en vertrouwen – een krachtige boodschap van genade en vergeving.
Symboliek van het herderschap
De herderstaal verwijst naar Jezus zelf als de Goede Herder (Joh. 10). Nu draagt Hij die zorg over aan Petrus, die als leider in de jonge kerk zal optreden. Deze scène benadrukt de relatie tussen liefde voor Jezus en zorg voor anderen.
Profetie over Petrus’ toekomst
Jezus voorspelt dat Petrus zal sterven als martelaar: “Wanneer gij oud geworden zult zijn… zal een ander u gorden en u brengen waar gij niet wilt.” (Joh. 21:18). Deze woorden tonen dat navolging niet zonder lijden is, maar ook dat Petrus’ leven tot eer van God zal eindigen.
Johannes vermeldt expliciet dat deze uitspraak op Petrus’ dood wijst (Joh. 21:19), waarmee het lijden van de apostelen ook theologisch betekenis krijgt.
“Wat zal deze?”
Wanneer Petrus zich omdraait en de discipel ziet die Jezus liefhad, vraagt hij: “Heere, maar wat zal met deze zijn?” Jezus antwoordt: “Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij.” (Joh. 21:22)
Hier spreekt Jezus tot de neiging van mensen om zichzelf met anderen te vergelijken. Zijn boodschap is eenvoudig: focus op je eigen roeping en gehoorzaamheid.
De evangelist verduidelijkt dat Jezus niet zei dat deze discipel (Johannes) niet zou sterven, maar dat Zijn wil daarover soeverein is (Joh. 21:23).
Getuigenis van de schrijver
Het hoofdstuk sluit af met een verklaring van betrouwbaarheid: “Deze is de discipel, die van deze dingen getuigt.” (Joh. 21:24). Daarmee identificeert de schrijver zich als ooggetuige. Hij voegt toe dat er veel meer is wat Jezus gedaan heeft, “die, zo zij één voor één beschreven werden, ik acht, dat ook de wereld zelve de geschreven boeken niet zou bevatten.” (Joh. 21:25)
Deze afsluitende woorden plaatsen het evangelie in het kader van persoonlijke getuigenis en spirituele rijkdom. Jezus’ werken zijn onuitputtelijk – een uitnodiging om verder te zoeken, te leren en te geloven.
Theologische reflectie
Johannes 21 bevat diepe symboliek:
- Visvangst: Gods zegen op arbeid in afhankelijkheid.
- Maaltijd: gemeenschap met de Opgestane.
- Herstelling: genade na falen.
- Opdracht: liefde tot Jezus blijkt in dienst aan anderen.
- Toekomst: navolging kent prijs, maar leidt tot heerlijkheid.
Het hoofdstuk verbindt verleden (verloochening), heden (herstelling) en toekomst (martelaarschap en getuigenis) in het licht van Jezus’ opstanding.
Conclusie
Johannes 21 is een prachtig slot van het evangelie. Het toont dat Jezus leeft, herstelt en roept tot navolging. Zijn werk eindigt niet bij het kruis of het lege graf – het gaat door in het leven van Zijn volgelingen. De ontmoeting aan het meer is een uitnodiging om Jezus te (h)erkennen, Hem lief te hebben en Zijn kudde te hoeden – tot Hij komt.
Johannes 21
1 Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus:
2 Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanael, die van Kana in Galilea was, en de zonen van Zebedeus, en twee anderen vanZijn discipelen.
3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip; en in dien nacht vingen zij niets.
4 En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dat het Jezus was.
5 Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen.
6 En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege demenigte der vissen.
7 De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hijwas naakt), en wierp zichzelven in de zee.
8 En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de vissen.
9 Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood.
10 Jezus zeide tot hen: Brengt van den vissen, die gij nu gevangen hebt.
11 Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren, zo scheurde het net niet.
12 Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere was.
13 Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den vis desgelijks.
14 Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was.
15 Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja,Heere! Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren.
16 Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tothem: Hoed Mijn schapen.
17 Hij zeide tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief,en zeide tot Hem: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.
18 Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet, alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gijuw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, waar gij niet wilt.
19 En dit zeide Hij, betekenende, met hoedanigen dood hij God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij.
20 En Petrus, zich omkerende, zag den discipel volgen, welken Jezus liefhad, die ook in het avondmaal op Zijn borst gevallen was, en gezegd had: Heere! wie ishet, die U verraden zal?
21 Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: Heere, maar wat zal deze?
22 Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan? Volg gij Mij.
23 Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zou sterven. En Jezus had tot hem niet gezegd, dat hij niet sterven zou, maar: Indien Ik wil, dathij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan?
24 Deze is de discipel, die van deze dingen getuigt, en deze dingen geschreven heeft; en wij weten, dat zijn getuigenis waarachtig is.








