
Johannes 19 beschrijft het dieptepunt van het lijden van Jezus Christus. In dit hoofdstuk worden de veroordeling, kruisiging, dood en begrafenis van Jezus uitvoerig besproken. Het is een theologisch en historisch cruciaal moment, waarin thema’s als waarheid, koningschap, verlossing en liefde in scherpe contrasten worden neergezet.
Het oordeel van Pilatus
Jezus wordt gegeseld en bespot
Pilatus laat Jezus geselen en zijn soldaten zetten Hem een doornenkroon op. Ze kleden Hem in een purperen mantel, bespotten Hem en slaan Hem in het gezicht. Hiermee wordt Jezus op een vernederende manier als “koning der Joden” gepresenteerd – een ironie die Johannes bewust laat zien als diepere waarheid: Jezus ís daadwerkelijk koning, maar zijn koningschap is niet van deze wereld.
Pilatus stelt Jezus tentoon
Pilatus presenteert Jezus aan het volk met de woorden: “Ziet, de mens!” (Johannes 19:5). Deze uitdrukking draagt filosofische lading: het is de lijdende mens in zijn volheid, vernederd en kwetsbaar, maar ook de mens zoals God hem bedoeld heeft. Het publiek roept echter: “Kruisigt Hem!” (vers 6), wat Pilatus aantoont als een leider die onder druk van de massa toegeeft.
Het dilemma van Pilatus
Hoewel Pilatus geen schuld in Jezus vindt, geeft hij toe aan de religieuze leiders, die zeggen dat Jezus zich tot “Zoon van God” maakt – een bewering die religieus én politiek als gevaarlijk werd gezien. Pilatus raakt bevreesd en vraagt Jezus: “Van waar zijt Gij?” (vers 9), maar Jezus zwijgt. Hij laat Pilatus weten dat diens macht ondergeschikt is aan Gods plan: “Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u van boven niet gegeven ware.” (vers 11)
De kruisiging van Jezus
Jezus wordt overgeleverd
Tegen het zesde uur (ongeveer 12.00 uur) levert Pilatus Jezus over om gekruisigd te worden. Hij draagt zijn kruis zelf tot de plaats genaamd Golgotha, wat “Schedelplaats” betekent. Daar wordt Hij tussen twee misdadigers gekruisigd.
De inscriptie op het kruis
Pilatus laat op het kruis de woorden aanbrengen: “Jezus, de Nazarener, de Koning der Joden” in Hebreeuws, Grieks en Latijn. De overpriesters willen dat hij schrijft: “Hij heeft gezegd: Ik ben…” Maar Pilatus antwoordt stellig: “Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.” (vers 22). Hiermee legt Johannes nogmaals nadruk op het koningschap van Christus, zelfs in Zijn sterven.
De kleding van Jezus
De soldaten verdelen Jezus’ kleding onder elkaar en werpen het lot over zijn onderkleed, waarmee een profetie uit Psalm 22 vervuld wordt: “Zij hebben mijn klederen onder zich verdeeld, en over mijn gewaad hebben zij het lot geworpen.” (vers 24)
Jezus sterft aan het kruis
Jezus zorgt voor zijn moeder
Nog aan het kruis toont Jezus zorg: Hij wijst Johannes, de ‘discipel die Hij liefhad’, aan als zoon van zijn moeder Maria en draagt haar aan hem over. Dit gebaar benadrukt het menselijke én het goddelijke: in Zijn sterven zorgt Jezus voor zijn aardse familie en schept Hij geestelijke gemeenschap.
De dood van Jezus
Jezus zegt: “Mij dorst” – een vervulling van de Schrift – en nadat Hij van zure wijn heeft gedronken, spreekt Hij de woorden: “Het is volbracht!” (vers 30) Hij buigt zijn hoofd en geeft de geest. Johannes’ formulering benadrukt dat Jezus zelf het moment van sterven kiest – Hij heeft controle over zijn eigen leven en dood, in overeenstemming met Johannes 10:18.
Symboliek van de zijde
Omdat de sabbat aanbrak, worden de benen van de andere gekruisigden gebroken. Maar Jezus is reeds gestorven. Een soldaat doorboort zijn zijde met een speer; er komt bloed en water uit. Johannes ziet hierin een theologisch teken: bloed als symbool van verzoening, water als symbool van reiniging of doop (vgl. 1 Johannes 5:6). Dit getuigenis is bewust en betrouwbaar (vers 35).
De begrafenis van Jezus
Jozef van Arimathea en Nicodemus
Twee opmerkelijke figuren – Jozef van Arimathea, een geheime discipel, en Nicodemus, die eerder Jezus bij nacht bezocht – zorgen voor de begrafenis. Ze nemen Jezus’ lichaam, wikkelen het in linnen met specerijen, naar joods gebruik.
Het graf
In een nieuwe tuin, vlakbij Golgotha, wordt Jezus in een nog ongebruikt graf gelegd. Omdat de sabbat aanbrak, haasten zij zich. Johannes sluit hoofdstuk 19 met dit beeld van vrede en rust – het lichaam van Jezus ligt begraven, maar de verwachting van de opstanding gloort aan de horizon.
Theologische reflectie
Waarheid en oordeel
Het hoofdstuk stelt de lezer voor fundamentele vragen: Wat is waarheid? Wie heeft werkelijk macht? Pilatus vertegenwoordigt menselijke rechtspraak, maar hij faalt om rechtvaardigheid te brengen. Jezus, hoewel veroordeeld, blijft innerlijk vrij en toont zich als de ware Koning.
De voltrekking van de opdracht
Johannes 19 toont Jezus’ kruisdood niet als tragedie, maar als voltooiing. “Het is volbracht” betekent: de redding is volbracht, het Lam is geofferd, de schuld betaald.
Liefde en gehoorzaamheid
Jezus’ liefde voor de Vader en voor de mens blijkt uit zijn gehoorzaamheid tot het einde toe. Hij draagt de straf van de zonde, zonder tegenstand, maar met waardigheid. Zijn kruisdood is een daad van liefde en zelfgave.
Conclusie
Johannes 19 vormt het hoogtepunt van het lijdensverhaal. Jezus’ kruisdood is geen nederlaag, maar overwinning. Zijn koningschap wordt bevestigd, niet door macht, maar door offer. Zijn dood vormt de opening naar nieuw leven – voor de discipelen, en voor allen die in Hem geloven.
“Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.” – Pilatus
“Het is volbracht.” – Jezus
Johannes 19
1 Toen nam Pilatus dan Jezus, en geselde Hem.
2 En de krijgsknechten, een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en wierpen Hem een purperen kleed om;
3 En zeiden: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! En zij gaven Hem kinnebakslagen.
4 Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Ziet, ik breng Hem tot ulieden uit, opdat gij wetet, dat ik in Hem geen schuld vinde.
5 Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon, en het purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen: Ziet, de Mens!
6 Als Hem dan de overpriesters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden Hem en kruist Hem;want ik vind in Hem geen schuld.
7 De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet, en naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt.
8 Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer bevreesd;
9 En ging wederom in het rechthuis, en zeide tot Jezus: Van waar zijt Gij? Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
10 Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij tot mij niet? Weet Gij niet, dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten?
11 Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven ware; daarom die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft groterzonde.
12 Van toen af zocht Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des keizers vriend niet; een iegelijk, diezichzelven koning maakt, wederspreekt den keizer.
13 Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder op den rechterstoel, in de plaats, genaamd Lithostrotos, en in het Hebreeuws Gabbatha.
14 En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning!
15 Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning,dan den keizer.
16 Toen gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En zij namen Jezus, en leidden Hem weg.
17 En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha;
18 Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.
19 En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS De NAZARENER De KONING DER JODEN.
20 Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats, waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in hetGrieks, en in het Latijn.
21 De overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden; maar, dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
22 Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.
23 De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn klederen, (en maakten vier delen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu waszonder naad, van boven af geheel geweven.
24 Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebbenMijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.
25 En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en Zijner moeders zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena.
26 Jezus nu, ziende Zijn moeder, en den discipel, dien Hij liefhad, daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.
27 Daarna zeide Hij tot den discipel: Zie, uw moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn huis.
28 Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst.
29 Daar stond dan een vat vol ediks, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond.
30 Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En het hoofd buigende, gaf den geest.
31 De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was (want die dag des sabbats was groot),baden Pilatus, dat hun benen zouden gebroken, en zij weggenomen worden.
32 De krijgsknechten dan kwamen, en braken wel de benen des eersten, en des anderen, die met Hem gekruist was;
33 Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet.
34 Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit.
35 En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij geloven moogt.
36 Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden.
37 En wederom zegt een andere Schrift: Zij zullen zien, in Welken zij gestoken hebben.
38 En daarna Jozef van Arimathea (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vreze der Joden), bad Pilatus, dat hij mocht het lichaam van Jezuswegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.
39 En Nicodemus kwam ook (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloe; omtrent honderd ponden gewichts.
40 Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in linnen doeken met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven.
41 En er was in de plaats, waar Hij gekruist was, een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest.
42 Aldaar dan legden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was.








