Home Bijbel dagelijks Oude Testament 24 Jeremia Jeremia 23: De ware Herder en de valse profeten

Jeremia 23: De ware Herder en de valse profeten

0
1057
Een symbolische weergave van Christus als de ware Herder die Zijn kudde leidt door licht en waarheid, naar Jeremia 23.
De ware Herder – belofte van gerechtigheid in Jeremia 23.

Jeremia 23 is een aangrijpend hoofdstuk waarin de profeet Jeremia namens de HEERE spreekt over het falen van de leiders van Israël en Juda. De herders van het volk hebben hun kudde verstrooid in plaats van haar te beschermen. Maar midden in deze harde boodschap openbaart God Zijn trouw: Hij zal Zelf een rechtvaardige Herder verwekken – een Koning uit het geslacht van David – die wijs zal regeren. Tegelijk klinkt een ernstige waarschuwing voor valse profeten die Gods Naam misbruiken. Het hoofdstuk is een oproep tot waarheid, bekering en vertrouwen in de Heere, de enige ware Herder.

De HEERE klaagt de slechte herders aan (Jeremia 23:1–4)

Jeremia begint met een profetische aanklacht:
“Wee de herders, die de schapen Mijner weide verstrooien en ombrengen!” (vers 1).

De leiders van Juda – koningen, priesters en profeten – hadden de taak om het volk te leiden in gerechtigheid, maar in plaats daarvan zochten zij hun eigen eer. Hun nalatigheid had geestelijke en maatschappelijke ontwrichting tot gevolg. God belooft echter dat Hij Zich hun kwaad zal aantrekken.

De HEERE spreekt vervolgens hoopvolle woorden:
“Ik zal over de schapen Mijner weide opzien… en Ik zal hen wederbrengen tot hun kooien.”

De belofte is helder: God Zelf zal zorgen voor herstel. Hij zal nieuwe, getrouwe herders aanstellen die het volk weiden in waarheid en recht. Dit is niet slechts een belofte van fysieke terugkeer uit ballingschap, maar een geestelijk herstel – een voorafschaduwing van Christus, de Goede Herder (Johannes 10:11).

De belofte van de rechtvaardige Spruit (Jeremia 23:5–8)

In deze verzen openbaart God een diepe Messiaanse belofte.
“Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; en een Koning zal regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op aarde.”

Deze Spruit (in het Hebreeuws: Tsemach) is de beloofde Messias, Jezus Christus. Hij zal regeren als de ware Koning, niet in menselijke zwakheid, maar in goddelijke gerechtigheid. Zijn heerschappij brengt veiligheid:
“In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen.”

De naam waarmee Hij genoemd wordt, drukt Zijn wezen uit:
“De HEERE onze Gerechtigheid.” (JHWH Tsidkenu)

Hierin klinkt het evangelie: de mens wordt niet gerechtvaardigd door eigen werken, maar door de gerechtigheid van Christus, die door geloof wordt toegerekend. Jeremia kondigt dus niet alleen politieke bevrijding aan, maar de komst van het eeuwige Koninkrijk van de Zoon van David.

De leugenprofeten en hun valse visioenen (Jeremia 23:9–32)

Na de heerlijke belofte van de komende Koning keert Jeremia zich tot een schrijnende werkelijkheid: het geestelijk verval van de profeten.
Zijn hart is gebroken, zijn lichaam beeft. Waarom? Omdat de profeten en priesters het land hebben verontreinigd door hun zonden en leugens.

“Want van de profeten van Jeruzalem is goddeloosheid uitgegaan over het ganse land.”

De valse profeten verkondigden vrede waar geen vrede was. Zij spraken naar de begeerten van het volk, niet naar het Woord van God. Hun boodschap klonk zacht, maar leidde tot ondergang:
“Zij zeggen tot degenen die Mij smaden: De HEERE heeft gesproken: Gij zult vrede hebben.”

Jeremia maakt duidelijk dat ware profetie niet voortkomt uit menselijk denken, maar uit gemeenschap met God:
“Wie in Mijn raad heeft gestaan, die heeft Mijn woord gehoord en Mijn woord gesproken.”

De HEERE stelt de ware profeet tegenover de valse. De ware spreekt het vuur van Gods Woord – scherp, heilig, en reinigend als een hamer die steen verplettert. De valse profeten daarentegen stelen elkaars woorden en zeggen: “De HEERE heeft gesproken,” terwijl Hij niet gesproken heeft.

Deze waarschuwing is tijdloos. God haat elke vorm van misleiding in Zijn Naam. Zijn Woord is heilig, en wie het vervalst, zal rekenschap moeten afleggen.

De HEERE’s nabijheid en Zijn alwetendheid (Jeremia 23:23–25)

Een diep theologisch moment volgt in de vraag van God Zelf:
“Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?”

De HEERE openbaart Zich hier als alomtegenwoordig en alwetend. Geen profeet, geen mens kan zich verbergen voor Zijn aangezicht. God is niet beperkt tot tempels of rituelen; Hij is overal aanwezig, Zijn ogen zien de waarheid achter elk woord en elke gedachte.

Deze verzen leren dat ware eerbied voor God begint met besef van Zijn heiligheid en Zijn alziend oog. Hij doorgrondt de harten van mensen, en daarom is elke poging tot bedrog zinloos.

De last van de HEERE (Jeremia 23:33–40)

Het slotgedeelte spreekt over “de last des HEEREN”. Dit was een uitdrukking die profeten gebruikten voor hun boodschap. Maar het volk had deze woorden misbruikt. Zij spraken luchtig over Gods oordeel en maakten er een grap van.

God reageert streng:
“Omdat gij zegt: De last des HEEREN, hoewel Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: De last des HEEREN; daarom zal Ik u ganselijk vergeten en u verlaten.”

De “last” van de HEERE is niet iets om mee te spelen. Gods Woord is zwaar omdat het heilig is. Het draagt eeuwigheidsgewicht.

De profeten, priesters en het volk die Zijn woorden verdraaiden, zouden schande en eeuwige smaad dragen. Zo eindigt het hoofdstuk met een ernstige waarschuwing: wie het Woord van de HEERE veracht, zal zelf door dat Woord geoordeeld worden.

Samenvattende beschouwing: oordeel en genade in één hoofdstuk

Jeremia 23 is zowel een hoofdstuk van oordeel als van genade.
De zonde van de valse herders en profeten toont hoe diep de mens kan vallen wanneer hij Gods waarheid inruilt voor eigenbelang. Maar te midden van dat oordeel schittert het licht van de komende Messias, de “HEERE onze Gerechtigheid”.

Dit hoofdstuk onthult de kern van Gods karakter: Hij is heilig en rechtvaardig, maar ook trouw en barmhartig.
Hij straft het kwaad, maar Hij vergeet Zijn belofte niet.

Door Christus vervult God de belofte van Jeremia 23: Hij is de Herder die het verlorene zoekt, de Koning die rechtvaardig regeert, en de Hogepriester die verzoening brengt door Zijn bloed.

Wie tot Hem vlucht, vindt niet oordeel maar genade. Daarom blijft Jeremia 23 een blijvende oproep: vertrouw niet op mensen, maar op de HEERE, de God van waarheid.


Jeremia 23

1 Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.

2 Daarom zegt de HEERE, de God Israëls, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE.

3 En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.

4 En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE.

5 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.

6 In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.

7 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd.

8 Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.

9 Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.

10 Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.

11 Want beiden profeten en priesters zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE.

12 Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.

13 Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baäl, profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden.

14 Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.

15 Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land.

16 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.

17 Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.

18 Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?

19 Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.

20 Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten.

21 Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.

22 Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen.

23 Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?

24 Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.

25 Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.

26 Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij.

27 Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baäl.

28 De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.

29 Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?

30 Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;

31 Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;

32 Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE.

33 Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE.

34 En aangaande den profeet, of den priester, of het volk, dat zeggen zal: Des HEEREN last; dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis.

35 Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijn naaste, en een iegelijk tot zijn broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?

36 Maar des HEEREN last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God.

37 Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de HEERE geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken?

38 Maar dewijl gij zegt: Des HEEREN last; daarom, zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last;

39 Daarom, ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten, en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.

40 En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.