Home Bijbel dagelijks Oude Testament 14 2 Kronieken 2 Kronieken 34: Koning Josia’s hervorming en Gods wet hersteld

2 Kronieken 34: Koning Josia’s hervorming en Gods wet hersteld

0
1233
Streetart van koning Josia die het wetboek herontdekt in de tempel van Jeruzalem
De jonge koning Josia vernieuwt het verbond met God en herstelt de tempel.

2 Kronieken 34 vertelt het indrukwekkende verhaal van koning Josia, een van de meest rechtvaardige koningen van Juda. Hij werd al op jonge leeftijd koning, maar zijn hart was volledig gericht op God. Zijn leven kenmerkt zich door gehoorzaamheid, zuiverheid en een oprechte toewijding aan de wet van de HEERE. Dit hoofdstuk beschrijft hoe Josia hervormingen doorvoerde in het land, de tempel liet herstellen, het wetboek terugvond en het verbond met God vernieuwde. 2 Kronieken 34 is een krachtige oproep tot bekering, gehoorzaamheid en hernieuwde toewijding aan God, die vandaag nog steeds spreekt tot ieder die Hem oprecht zoekt.

Josia wordt koning

Josia werd koning over Juda toen hij slechts acht jaar oud was (2 Kronieken 34:1). Ondanks zijn jonge leeftijd deed hij wat recht was in de ogen des HEEREN en wandelde in de wegen van zijn vader David. Hij week niet af, noch ter rechter- noch ter linkerhand. Josia’s regeringsperiode begon in een tijd van moreel en geestelijk verval. Zijn voorgangers hadden Juda vervuld met afgoderij, geweld en verwaarlozing van Gods geboden. Toch liet deze jonge koning zich niet meeslepen door de goddeloosheid van zijn tijd.

Vanaf zijn achtste regeringsjaar begon Josia te zoeken naar de God van zijn vader David (2 Kronieken 34:3). Deze zoektocht werd het fundament van zijn koningschap. In zijn hart groeide een oprechte liefde voor de HEERE, en hij werd een voorbeeld van gehoorzaamheid en geloof. Zijn jeugdige ijver laat zien dat ware toewijding niet afhankelijk is van leeftijd of status, maar van een oprecht hart dat zich richt op God.

Josia’s hervorming van Juda

In zijn twaalfde regeringsjaar begon Josia aan een grondige hervorming. Hij verwijderde de hoogten, vernietigde de gewijde palen en hakte de afgodsbeelden in stukken. De altaren van de Baäls werden afgebroken en de zonbeelden neergehaald (2 Kronieken 34:3-4). Hij reinigde niet alleen Jeruzalem, maar ook de omliggende gebieden, waaronder Efraïm, Manasse, Simeon en zelfs tot in Naftali.

Deze daad van reiniging was niet slechts een politieke hervorming, maar een geestelijke zuivering. Josia herstelde de ware eredienst en verbrak elke band met afgoderij. Zijn optreden weerspiegelde zijn diepe eerbied voor de heiligheid van God. Door de afgoden uit het land te verwijderen, bracht hij het volk terug tot de dienst van de HEERE alleen.

Zijn hervorming laat zien dat ware gehoorzaamheid niet halfslachtig is. Josia diende God met heel zijn hart, en zijn voorbeeld roept iedere gelovige op om afgoden – in welke vorm dan ook – te verwijderen uit het eigen leven.

Herstel van de tempel

In zijn achttiende regeringsjaar begon Josia met het herstel van de tempel van de HEERE zijn God (2 Kronieken 34:8). De tempel, die tijdens de goddeloze regeringen van eerdere koningen zwaar was verwaarloosd, werd hersteld tot eer van God. Josia stuurde schrijvers, oversten en de hogepriester Hilkia om toezicht te houden op het werk.

Het volk bracht vrijwillige gaven bijeen voor het herstel van het huis des HEEREN. Dit wijst op een hernieuwde geestelijke betrokkenheid: de harten van het volk keerden terug naar de HEERE. De werkmeesters werkten trouw, de stenen werden gehouwen, het hout zorgvuldig gekozen, en het heiligdom herwon zijn glorie.

De herbouw van de tempel symboliseert de herbouw van het geloof. Wanneer Gods huis wordt vernieuwd, wordt ook het volk vernieuwd. Josia begreep dat de uiterlijke herstelling van de tempel de innerlijke vernieuwing van het volk moest weerspiegelen.

De vondst van het wetboek

Tijdens de werkzaamheden in de tempel gebeurde iets buitengewoons. De hogepriester Hilkia vond het boek van de wet des HEEREN, die door Mozes was gegeven (2 Kronieken 34:14-15). Deze vondst veranderde alles. Het wetboek, dat lange tijd verloren was gegaan, werd nu herontdekt.

Hilkia gaf het boek aan schriftgeleerde Safan, die het voorlas aan koning Josia. Toen de koning de woorden van de wet hoorde, scheurde hij zijn kleren (2 Kronieken 34:19). Zijn hart werd diep geraakt. Hij besefte hoe ver het volk van God was afgedwaald en hoeveel zonden er waren begaan tegen de geboden van de HEERE.

De reactie van Josia getuigt van een diep ontzag voor Gods Woord. Hij nam het niet licht op, maar erkende dat het oordeel van God rechtvaardig was. In zijn berouw zocht hij naar de wil van de HEERE, vastbesloten om de wet opnieuw te gehoorzamen.

De raad van de profetes Hulda

Josia stuurde Hilkia en andere dienaren om de HEERE te raadplegen over de woorden van het wetboek. Zij gingen naar de profetes Hulda, die in Jeruzalem woonde (2 Kronieken 34:22). Hulda sprak namens God en bevestigde dat het oordeel over Juda zou komen vanwege hun afgoderij en ongehoorzaamheid. Toch bracht zij ook een persoonlijke boodschap aan de koning:

Omdat Josia zijn hart had verbroken, zich had vernederd en geweend voor het aangezicht van de HEERE, zou God hem sparen van het komende oordeel (2 Kronieken 34:27-28).

De woorden van Hulda openbaren de barmhartigheid van God. Hoewel het volk gezondigd had, bleef er genade voor wie zich oprecht vernederde. Josia’s voorbeeld toont de kracht van bekering en de trouw van God aan hen die Hem met een oprecht hart zoeken.

Vernieuwing van het verbond

Na het ontvangen van Hulda’s boodschap riep Josia alle oudsten van Juda en Jeruzalem bijeen. De koning ging naar het huis des HEEREN en las voor de oren van het volk al de woorden van het boek van het verbond (2 Kronieken 34:30). Het hele volk – van groot tot klein – hoorde opnieuw de woorden van Gods wet.

Daar, in het heiligdom, sloot Josia een nieuw verbond voor het aangezicht des HEEREN. Hij beloofde de HEERE te volgen, Zijn geboden, inzettingen en verordeningen te onderhouden, met zijn gehele hart en ziel (2 Kronieken 34:31). Het volk stemde in met het verbond en bevestigde hun toewijding aan God.

Deze gebeurtenis was een keerpunt in de geschiedenis van Juda. Het volk keerde terug tot de HEERE en diende Hem in gehoorzaamheid. De vernieuwing van het verbond herstelde niet alleen de band tussen God en Zijn volk, maar schonk ook geestelijke vernieuwing en vrede.

Gehoorzaamheid en zegen

Josia’s leven getuigt van de zegen van gehoorzaamheid. Zijn liefde voor de wet van God en zijn bereidheid om te luisteren naar het Woord maakten hem tot een voorbeeld van geloof en toewijding. Zolang Josia leefde, week het volk niet af van het dienen van de HEERE (2 Kronieken 34:33).

Zijn verhaal herinnert ons eraan dat echte hervorming begint in het hart. Wanneer Gods Woord opnieuw wordt ontdekt, leidt dat tot bekering, gehoorzaamheid en herstel. Zoals de tempel hersteld werd en het volk het verbond vernieuwde, zo roept God vandaag ook ieder van ons op om ons hart te reinigen, Zijn Woord te eren en Hem met heel ons wezen te volgen.

2 Kronieken 34 eindigt met hoop: zelfs in tijden van geestelijk verval blijft God trouw. Hij openbaart Zich aan wie Hem zoeken en schenkt genade aan hen die zich verootmoedigen.

Spirituele lessen uit 2 Kronieken 34

Josia’s verhaal leert ons enkele belangrijke geestelijke lessen:

– Zoek God vroeg in je leven en laat je leiden door Zijn Woord.
– Vernietig alle vormen van afgoderij – alles wat je aandacht van God afleidt.
– Herstel het huis van God in je hart: maak ruimte voor Zijn aanwezigheid.
– Neem Gods Woord ernstig; laat het je leiden, corrigeren en vernieuwen.
– Wees bereid het verbond met God te vernieuwen en trouw te blijven aan Zijn geboden.

Josia’s leven wijst vooruit naar Christus, de volmaakte Koning die niet slechts een uiterlijke hervorming bracht, maar een innerlijke vernieuwing van het hart. Door Hem ontvangen wij het nieuwe verbond, niet geschreven op stenen tafelen, maar in onze harten gegrift.

Slotbeschouwing

2 Kronieken 34 is een lofzang op gehoorzaamheid, bekering en genade. De jonge koning Josia toonde wat het betekent om met een zuiver hart te leven voor Gods aangezicht. Hij zocht de HEERE, vernieuwde het verbond en bracht geestelijke vernieuwing voor zijn volk.

Zijn levensverhaal is een blijvende uitnodiging aan ieder mens om de stem van God te horen, Zijn Woord te bewaren en Hem trouw te dienen.

Want zoals Josia leerde: waar het Woord van God herontdekt wordt, daar keert de zegen van de HEERE terug.


2 Kronieken 34

1 Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.

2 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter hand, noch ter linkerhand.

3 Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda enJeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.

4 En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baals; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden engegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.

5 En de beenderen der priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.

6 Daartoe in de steden van Manasse, en Efraim, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,

7 Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land van Israel;daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.

8 In het achttiende jaar nu zijner regering als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azalia, en Maaseja, den overste der stad, en Joha, denzoon van Joahaz, den kanselier, om het huis des HEEREN, zijns Gods, te verbeteren.

9 En zij kwamen tot Hilkia, den hogepriester, en zij gaven het geld, dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Levieten, die den dorpel bewaarden, vergaderdhadden uit de hand van Manasse en Efraim, en uit het ganse overblijfsel van Israel, en uit gans Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren;

10 Zij nu gaven het in de hand der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN, en deze gaven dat dengenen, die het werk deden, diearbeidden aan het huis des HEEREN, om het huis te vermaken en te verbeteren.

11 Want zij gaven het den werkmeesters en de bouwlieden, om gehouwen stenen te kopen, en hout tot de samenvoegingen, en om de huizen te zolderen, die dekoningen van Juda verdorven hadden.

12 En die mannen handelden trouwelijk in dit werk; en de bestelden over dezelve waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merari, mitsgaders Zachariaen Mesullam, van de kinderen der Kohathieten, om het werk voort te drijven; en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek.

13 Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en ambtlieden, en poortiers.

14 En als zij het geld uitnamen, dat in het huis des HEEREN gebracht was, vond de priester Hilkia het wetboek des HEEREN, gegeven door de hand van Mozes.

15 En Hilkia antwoordde en zeide tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEEREN. En Hilkia gaf Safan dat boek.

16 En Safan droeg dat boek tot den koning; daarbenevens bracht hij nog den koning bescheid weder, zeggende: Al wat in de hand uwer knechten gegeven is, dat doenzij;

17 En zij hebben het geld samengestort, dat in het huis des HEEREN gevonden is, en hebben het gegeven in de hand der bestelden, en in de hand dergenen, die hetwerk maakten.

18 Voorts gaf Safan, de schrijver, den koning te kennen, zeggende: Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht deskonings.

19 Het geschiedde nu, als de koning de woorden der wet hoorde, dat hij zijn klederen scheurde.

20 En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, den zoon van Safan, en Abdon, den zoon van Micha, en Safan, den schrijver, en Asaja, den knecht des konings, zeggende:

21 Gaat heen, vraagt den HEERE voor mij, en voor het overgeblevene in Israel en in Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid desHEEREN is groot, die over ons uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord des HEEREN, om te doen naar al hetgeen in dat boekgeschreven is.

22 Toen ging Hilkia henen, en die des konings waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tokhath, den zoon van Hasra, denklederbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het tweede deel; en zij spraken zulks tot haar.

23 En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Zegt den man, die ulieden tot mij gezonden heeft:

24 Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats en over haar inwoners brengen; al de vloeken, die geschreven zijn in het boek, dat men voor het aangezichtdes konings van Juda gelezen heeft.

25 Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle werken hunner handen; zo zal Mijn grimmigheid uitgegotenworden tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.

26 Maar tot den koning van Juda, die ulieden gezonden heeft, om den HEERE te vragen, tot hem zult gij alzo zeggen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Aangaandede woorden, die gij hebt gehoord;

27 Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht Gods vernederd hebt, als gij Zijn woorden hoordet tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en hebtu vernederd voor Mijn aangezicht, en uw klederen gescheurd, en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.

28 Zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al dat kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats enover haar inwoners brengen zal. En zij brachten den koning dit antwoord weder.

29 Toen zond de koning henen, en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem.

30 En de koning ging op in het huis des HEEREN, en al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, mitsgaders de priesters en de Levieten, en al het volk, vanden grote tot den kleine toe; en men las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.

31 En de koning stond in zijn standplaats, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en om Zijn geboden, en Zijngetuigenissen, en Zijn inzettingen, met zijn ganse hart en met zijn ganse ziel, te onderhouden, doende de woorden des verbonds, die in datzelve boek geschreven zijn.

32 En hij deed allen, die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, staan; en de inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond van God, den God hunnervaderen.

33 Josia dan deed alle gruwelen weg uit alle landen, die der kinderen Israels waren, en maakte allen, die in Israel gevonden werden, te dienen; te dienen den HEERE,hun God; al zijn dagen weken zij niet af van den HEERE, den God hunner vaderen, na te volgen.