Home Bijbel dagelijks Oude Testament 14 2 Kronieken 2 Kronieken 36: Ballingschap en hoop op herstel

2 Kronieken 36: Ballingschap en hoop op herstel

0
1220
Bijbelse voorstelling van de val van Jeruzalem en de hoop van herstel onder Kores, in romantische streetart-stijl.
Kores, door God geroepen, opent de weg tot terugkeer en herstel voor het volk Israël.

2 Kronieken 36 vormt het slot van de geschiedenis van Juda. Hier zien we hoe het volk, ondanks herhaalde waarschuwingen, de geboden van de HEERE verwerpt. Het hoofdstuk beschrijft het verval van het koninkrijk, de Babylonische ballingschap, en eindigt met een teken van hoop: de belofte van herstel onder koning Kores van Perzië. Het is een aangrijpende afsluiting van de kronieken, waarin Gods rechtvaardigheid én genade zichtbaar worden.

De regering van Joahaz, Jojakim en Jojachin (2 Kronieken 36:1–10)

Na de dood van koning Josia, die een trouwe hervormer was, komt zijn zoon Joahaz op de troon. Het volk kiest hem zelf tot koning, maar zijn regering duurt slechts drie maanden. Farao Necho, koning van Egypte, zet hem af en voert hem gevangen naar Egypte. In zijn plaats stelt Necho diens broer Eljakim aan, die de naam Jojakim krijgt.

Jojakim regeert elf jaar in Jeruzalem en doet wat kwaad is in de ogen des HEEREN. Hij luistert niet naar de profeten die hem waarschuwen. De profeet Jeremia roept hem op tot bekering, maar Jojakim verhardt zich. Uiteindelijk komt Nebukadnezar, koning van Babel, tegen hem op. Jojakim wordt gevangen weggevoerd, samen met een deel van de tempelschatten, die naar Babel worden gebracht. Zijn zoon Jojachin volgt hem op.

De korte regering van Jojachin en de opstand van Zedekia (2 Kronieken 36:9–14)

Jojachin is slechts achttien jaar oud wanneer hij koning wordt. Hij regeert drie maanden en tien dagen en doet eveneens kwaad in de ogen des HEEREN. Ook hij wordt door Nebukadnezar gevangen genomen en naar Babel gevoerd, samen met de kostbaarheden van het huis des HEEREN. De koning van Babel stelt Zedekia, de oom van Jojachin, als koning aan over Juda en Jeruzalem.

Zedekia regeert elf jaar, maar ook hij verhardt zijn hart tegenover God. De profeet Jeremia spoort hem aan om zich te bekeren en zich te onderwerpen aan de wil van de HEERE, maar hij weigert. Zowel de koningen, de priesters als het volk doen wat kwaad is. De tempel wordt ontheiligd, afgoden worden gediend, en de stem van Gods profeten wordt bespot. Ze verachten Gods waarschuwingen, totdat er geen genezing meer mogelijk is.

Het oordeel: de val van Jeruzalem (2 Kronieken 36:15–21)

De HEERE blijft Zijn volk waarschuwen. Hij zendt Zijn boodschappers, “want Hij ontfermt Zich over Zijn volk en Zijn woning.” Maar het volk verhardt zich nog meer. De HEERE laat toe dat Nebukadnezar Jeruzalem inneemt. De tempel van God wordt verbrand, de muren van de stad worden afgebroken, en de overgebleven inwoners worden weggevoerd naar Babel. De heilige voorwerpen van de tempel worden naar het huis van Nebukadnezar gebracht.

De tekst zegt: “Om te vervullen het woord des HEEREN door de mond van Jeremia, totdat het land zijn sabbatten genoten had.” Zeventig jaren lang blijft het land woest, zodat het tot rust komt, zoals de HEERE had bepaald (vergelijk Leviticus 26:34–35). Zo voltrekt zich het oordeel dat God reeds eeuwen eerder had aangekondigd: ongehoorzaamheid brengt verwoesting, maar gehoorzaamheid brengt zegen.

De hoop van herstel onder Kores, koning van Perzië (2 Kronieken 36:22–23)

Na de ondergang van Babel treedt een nieuwe wereldmacht op: het rijk van de Perzen. Kores (Cyrus) wordt door de HEERE Zelf geroepen om Zijn plannen te volbrengen. De HEERE wekt zijn geest, zodat hij een koninklijk bevel uitvaardigt dat het volk van Israël mag terugkeren om de tempel in Jeruzalem te herbouwen.

Kores zegt: “De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven, en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is.” Met deze woorden eindigt het boek. Het volk dat in ballingschap verkeerde, krijgt weer hoop. God vergeet Zijn beloften niet.

Theologische betekenis

Het hoofdstuk toont de ernst van zonde en de onvermijdelijkheid van Gods oordeel. Toch zien we dat Zijn genade en trouw niet ophouden, zelfs wanneer het volk Hem de rug toekeert. De HEERE gebruikt heidense koningen als werktuigen van Zijn plannen. Hij is niet slechts de God van Israël, maar de Heerser over de hele aarde.

De zeventigjarige ballingschap was geen einde, maar een periode van zuivering. Door de ballingschap leerde het volk opnieuw de waarde van gehoorzaamheid en heiligheid. De terugkeer onder Kores toont Gods verlossend handelen: zelfs uit oordeel komt herstel voort.

Theologisch gezien wijst dit hoofdstuk vooruit naar de grotere verlossing in Christus. Zoals Kores het volk fysiek bevrijdde, zo verlost Christus Zijn volk geestelijk van zonde en dood. In Hem wordt de tempel van God hersteld – niet een gebouw van steen, maar een geestelijk huis, gebouwd uit levende stenen (1 Petrus 2:5).

Lessen voor vandaag

Voor gelovigen van nu is 2 Kronieken 36 een oproep tot nederigheid, trouw en bekering. God is geduldig en vol liefde, maar ook heilig en rechtvaardig. Wie zijn hart verhardt, zal de gevolgen daarvan ondervinden. Toch blijft Gods genade sterker dan het oordeel.

De geschiedenis van Juda leert dat geen macht ter wereld het plan van God kan stoppen. Hij regeert over koningen en volken, over tijden en gebeurtenissen. Zelfs in tijden van verwoesting werkt Hij aan herstel.

Wanneer wij ons afvragen waar God is te midden van oordeel of crisis, herinnert dit hoofdstuk ons eraan dat Hij altijd Zijn beloften vervult. Zijn hand blijft over Zijn volk, zelfs in ballingschap. De hoop die Israël vond onder Kores, vindt de gelovige nu in Jezus Christus – de ware Verlosser.

Verwijzingen

  • 2 Kronieken 36:1–4 – Joahaz afgezet door Farao Necho
  • 2 Kronieken 36:5–8 – De zonden van Jojakim en de Babylonische aanval
  • 2 Kronieken 36:9–10 – De korte regering van Jojachin
  • 2 Kronieken 36:11–14 – Zedekia’s opstand en ongehoorzaamheid
  • 2 Kronieken 36:15–21 – De verwoesting van Jeruzalem
  • 2 Kronieken 36:22–23 – De oproep van Kores tot terugkeer

Slotgedachte

Hoewel 2 Kronieken 36 eindigt met oordeel, sluit het met hoop. De HEERE is getrouw aan Zijn woord. Hij blijft Zich ontfermen over wie tot Hem terugkeren. De tempel mag verbrand zijn, maar Gods plan om te wonen bij Zijn volk blijft bestaan. Wie zich tot Hem wendt, vindt herstel, vergeving en een nieuw begin.

Zoals Kores een instrument van bevrijding werd, zo is Christus de volmaakte Koning die ons uit de geestelijke ballingschap verlost. Daarom eindigt het boek niet met wanhoop, maar met een open deur naar de toekomst: “De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op!”


2 Kronieken 36

1 Toen nam het volk des lands Joahaz, den zoon van Josia, en zij maakten hem koning, in zijns vaders plaats, te Jeruzalem.

2 Drie en twintig jaren was Joahaz oud, als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem.

3 Want de koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.

4 En de koning van Egypte maakte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar zijn broeder Joahaz nam Necho, enbracht hem in Egypte.

5 Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.

6 Nebukadnezar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel.

7 Nebukadnezar bracht ook van de vaten van het huis des HEEREN naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel.

8 Het overige nu van de geschiedenissen van Jojakim, en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningenvan Israel en Juda; en Jojachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

9 Acht jaren was Jojachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.

10 En met de wederkomst des jaars zond de koning Nebukadnezar henen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis des HEEREN; en hijmaakte zijn broeder Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.

11 Een en twintig jaren was Zedekia oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem.

12 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van den profeet Jeremia, sprekende uit den monddes HEEREN.

13 Daartoe werd hij ook afvallig tegen den koning Nebukadnezar, die hem beedigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerdetot den HEERE, den God Israels.

14 Ook maakten alle oversten der priesteren, en het volk, der overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen; en zij verontreinigden het huis des HEEREN,dat Hij geheiligd had te Jeruzalem.

15 En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.

16 Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volkopging, dat er geen helen aan was.

17 Want Hij deed tegen hen opkomen den koning der Chaldeen, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde dejongelingen niet, noch de maagden, de oudsten noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.

18 En alle vaten van het huis Gods, de grote en de kleine, en de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten des konings en zijner vorsten, dit alles voerde hijnaar Babel.

19 En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken den muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijkevaten derzelve.

20 En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot het regeren des koninkrijks van Perzie;

21 Opdat het woord des HEEREN vervuld wierd, door den mond van Jeremia, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen derverwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.

22 Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzie, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, door den mond van Jeremia, verwekte de HEERE den geestvan Kores, koning van Perzie, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: