Het Bijbelboek 2 Kronieken 33 beschrijft de levens van koning Manasse en zijn zoon Amon, beiden koningen van Juda. Dit hoofdstuk toont hoe diep een mens kan vallen, maar ook hoe ver Gods genade reikt tot wie zich verootmoedigt. Het is een aangrijpend getuigenis van bekering, vergeving en herstel. Manasse’s leven is een spiegel van Gods trouw tegenover Zijn volk, zelfs wanneer zij afdwaalt. Zijn geschiedenis herinnert ons eraan dat geen zonde te groot is om vergeven te worden, wanneer er oprecht berouw is voor God.
Manasse’s zonden en afgoderij (2 Kronieken 33:1–9)
Manasse werd koning toen hij twaalf jaar oud was en regeerde maar liefst vijfenvijftig jaar in Jeruzalem. In plaats van te wandelen in de wegen van zijn vader Hizkia, deed hij wat kwaad was in de ogen van de Heere. Hij volgde de gruwelen van de volken die de HEERE voor Israël verdreven had. Manasse richtte opnieuw de hoogten op die zijn vader had afgebroken, bouwde altaren voor de Baäls, maakte gewijde bossen en boog zich neer voor het hele heir des hemels (vers 3–5).
Hij ging nog verder in zijn afgoderij: hij bouwde altaren voor vreemde goden zelfs in het huis van de HEERE, waarvan God gezegd had: “In Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid.” (vers 4). Manasse dreef zijn zonden tot het uiterste door zelfs zijn zonen door het vuur te laten gaan in het dal Hinnom, gebruik te maken van waarzeggerij en toverij, en raadpleegde duivelskunstenaars en waarzeggers. Daardoor deed hij “veel kwaad in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.” (vers 6).
Zijn zonden ontheiligden het land en leidden Juda af van het ware geloof. Het volk luisterde naar hem en werd meegesleept in zijn afval. Dit alles toont hoe één mens, wanneer hij God verlaat, een hele natie tot zonde kan brengen.
De waarschuwing van God en de gevangenneming (2 Kronieken 33:10–11)
De HEERE sprak tot Manasse en zijn volk, maar zij luisterden niet. God is lankmoedig en waarschuwt altijd voor het oordeel, maar Manasse bleef ongehoorzaam. Daarom bracht de HEERE de krijgsoversten van de koning van Assyrië over hen. Zij namen Manasse gevangen, bonden hem met twee koperen ketenen en voerden hem weg naar Babel (vers 11).
Hier zien we hoe zonde altijd tot slavernij leidt. De koning die zijn volk tot afgoderij had geleid, werd zelf een gevangene. Toch is dit niet het einde van zijn verhaal – het is het begin van Gods genade.
Manasse’s bekering in Babel (2 Kronieken 33:12–13)
In zijn benauwdheid zocht Manasse de HEERE zijn God, en hij verootmoedigde zich zeer voor het aangezicht van de God zijner vaderen. Hij bad tot Hem, en God liet Zich door hem verbidden. De HEERE hoorde zijn smeking en bracht hem weer terug naar Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de HEERE waarachtig God is (vers 13).
Dit is een van de meest indrukwekkende momenten in de Schrift: de grootste zondaar van Juda vond vergeving. De HEERE sloeg acht op het berouw van een man die Hem jarenlang had gelasterd. Dit getuigt van Gods onpeilbare genade – Hij verwerpt geen verbroken hart.
Herstel en hervorming (2 Kronieken 33:14–17)
Na zijn terugkeer toonde Manasse de vrucht van zijn bekering. Hij bouwde een buitenmuur om de stad van David en versterkte het leger. Maar belangrijker nog: hij verwijderde de vreemde goden en het beeld uit het huis van de HEERE. Hij herstelde het altaar van de HEERE en offerde daarop dank- en vredeoffers. Hij beval Juda de HEERE, de God van Israël, te dienen (vers 15–16).
Hoewel het volk nog op sommige hoogten bleef offeren, gebeurde dat niet meer voor de afgoden, maar voor de HEERE hun God. Manasse’s leven toont hoe ware bekering altijd leidt tot herstel van de ware aanbidding. Hij keerde terug tot de God van zijn vaderen, en zijn daden bewezen dat zijn hart vernieuwd was.
De dood van Manasse (2 Kronieken 33:18–20)
De overige geschiedenissen van Manasse, zijn gebed tot zijn God, en de woorden van de zieners die tot hem spraken in de Naam van de HEERE, werden opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. Zijn gebed en de vergeving die hij ontving, werden bewaard als een getuigenis van Gods ontferming (vers 18–19).
Toen Manasse stierf, werd hij begraven in zijn huis, en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. Zo eindigde het leven van een man die van grote goddeloosheid tot oprechte bekering kwam. Zijn nalatenschap is niet zijn vroegere zonden, maar zijn nederige terugkeer tot de HEERE.
Koning Amon: De zoon die niet luisterde (2 Kronieken 33:21–25)
Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd en regeerde slechts twee jaar in Jeruzalem. In tegenstelling tot zijn vader volhardde hij in kwaad. Hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE, zoals zijn vader Manasse in het begin gedaan had. Hij offerde aan alle gesneden beelden die zijn vader had gemaakt en diende die. Maar Amon verootmoedigde zich niet voor de HEERE, zoals zijn vader Manasse zich verootmoedigd had; integendeel, hij vermeerderde de schuld (vers 22–23).
Zijn dienaren spanden tegen hem samen en doodden hem in zijn huis. Het volk van het land doodde echter degenen die tegen hem samenzwoeren en stelde zijn zoon Josia aan als koning (vers 24–25).
Amon’s leven herinnert eraan dat vergeving en bekering persoonlijk zijn. Ieders hart moet zelf kiezen om de HEERE te dienen. De zegen van de vader garandeert geen gehoorzaamheid van de zoon.
Theologische betekenis
2 Kronieken 33 is een krachtig hoofdstuk over de ernst van zonde, de rechtvaardigheid van God en Zijn eindeloze genade. Manasse’s geschiedenis leert ons drie grote waarheden:
- Zonde brengt afstand en oordeel. Wanneer wij Gods geboden verlaten, vervreemden we van Zijn nabijheid.
- Oprecht berouw brengt vergeving. Zelfs na jaren van ongehoorzaamheid is Gods genade groter dan onze schuld.
- Ware bekering verandert het leven. Manasse’s herstel liet zien dat vergeving niet alleen woorden zijn, maar daden van gehoorzaamheid en aanbidding.
Dit hoofdstuk getuigt dat niemand te ver gevallen is om door God te worden hersteld. Het is een uitnodiging aan ieder hart om terug te keren tot Hem.
Zoals Psalm 51 zegt: “Een verbroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten.”
2 Kronieken 33
1 Manasse was twaalf jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem.
2 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezittingverdreven had.
3 Want hij bouwde de hoogten weder op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte den Baals altaren op, en maakte bossen, en boog zich neder voor al hetheir des hemels, en diende ze;
4 En bouwde altaren in het huis des HEEREN, van hetwelk de HEERE gezegd had: Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid.
5 Daartoe bouwde hij altaren voor al het heir des hemels, in beide de voorhoven van het huis des HEEREN.
6 En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal des zoons van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij steldewaarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.
7 Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het huis Gods, van hetwelk God gezegd had tot David en tot zijn zoon Salomo: In dit huis,en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israel verkoren heb, zal Ik Mijn Naam zetten tot in eeuwigheid.
8 En Ik zal den voet van Israel niet meer doen wijken van het land, dat Ik uw vaderen besteld heb; alleenlijk zo zij waarnemen te doen, al hetgeen Ik hun geboden heb,naar de ganse wet, en inzettingen, en rechten, door de hand van Mozes.
9 Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels verdelgdhad.
10 De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op.
11 Daarom bracht de HEERE over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrie had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem mettwee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
12 En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des HEEREN, zijns Gods, ernstelijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen,
13 En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat deHEERE God is.
14 En na dezen bouwde hij den buitenmuur aan de stad Davids, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot den ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, enverhief dien zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda.
15 En hij nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het huis des HEEREN weg, mitsgaders al de altaren, die hij gebouwd had op den berg van het huis des HEEREN,en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad.
16 En hij richtte het altaar des HEEREN toe, en offerde daarop dankofferen en lofofferen, en zeide tot Juda, dat zij den HEERE, den God Israels, dienen zouden.
17 Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel aan den HEERE, hun God.
18 Het overige nu der geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden der zieners, die tot hem gesproken hebben in den Naam van denHEERE, den God Israels, ziet, die zijn in de geschiedenissen der koningen van Israel;
19 En zijn gebed, en hoe God Zich van hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonde, en zijn overtreding, en de plaatsen, waarop hij hoogten gebouwd, en bossen engesneden beelden gesteld heeft, eer hij vernederd werd, ziet, dat is beschreven in de woorden der zieners.
20 En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
21 Amon was twee en twintig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem.
22 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al den gesneden beelden, die zijn vaderManasse gemaakt had, en diende ze.
23 Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.
24 En zijn knechten maakten een verbintenis tegen hem, en doodden hem in zijn huis.
25 Maar het volk des lands sloeg hen allen, die de verbintenis tegen den koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijnplaats.









