De eerste brief aan de Korinthiërs is geschreven door de apostel Paulus aan de christelijke gemeente in Korinthe. In 1 Korinthiërs 1 richt Paulus zich op hun geestelijke groei, de eenheid in Christus en de kracht van het kruis. Hij benadrukt dat wijsheid en roem niet in mensen liggen, maar in God die door Jezus Christus redding brengt. Dit hoofdstuk biedt een fundament voor de rest van de brief, waarin Paulus ingaat op geloof, heiligheid en praktische levensvragen.
De roeping en genade van God
Paulus opent zijn brief met dankbaarheid. Hij herinnert de gemeente eraan dat zij geheiligd zijn in Christus en geroepen tot heiligen. Alles wat zij hebben – kennis, genade en geestelijke gaven – komt van God. Hun roeping is niet gebaseerd op menselijke verdienste, maar op Gods trouw. Paulus onderstreept dat de gelovigen wachten op de openbaring van Jezus Christus en dat God hen zal versterken tot het einde.
De kernboodschap: het geloof is niet een menselijke prestatie, maar een geschenk van God. Gelovigen zijn geroepen om in dankbaarheid en vertrouwen te leven, wetend dat Christus hun fundament is.
Waarschuwing tegen verdeeldheid
Paulus richt zich vervolgens op een probleem binnen de gemeente: er zijn scheuringen. Sommigen zeggen dat zij Paulus volgen, anderen Apollos of Petrus. Paulus benadrukt dat dit niet de bedoeling is. Christus alleen is het middelpunt van het geloof; de gemeente is niet gebouwd op menselijke leiders.
Hij vraagt retorisch: Is Christus verdeeld? Nee. Paulus herinnert hen eraan dat zij niet in zijn naam gedoopt zijn, maar in de naam van Jezus Christus. De kern van zijn boodschap is dat de verkondiging van het evangelie niet draait om welsprekendheid of menselijke wijsheid, maar om de kracht van het kruis.
De wijsheid van God tegenover menselijke wijsheid
Paulus stelt dat de boodschap van het kruis dwaasheid lijkt voor de wereld, maar voor gelovigen is het de kracht van God. God heeft de wijsheid van de wereld omgekeerd: waar mensen kracht, status en geleerdheid zoeken, kiest God juist het zwakke en verachte om Zijn plan te openbaren.
Hij wijst erop dat het niet gaat om menselijke roem, maar om Gods werk. Wie roemt, moet roemen in de Heer. Christus is voor ons geworden: wijsheid van God, rechtvaardiging, heiliging en verlossing. Dit plaatst alle menselijke grootspraak in een ander licht: de eer komt God toe.
Conclusie
1 Korinthe 1 roept gelovigen op tot eenheid, nederigheid en vertrouwen op Gods wijsheid in plaats van menselijke grootheid. De boodschap van het kruis staat centraal: wat voor de wereld dwaas lijkt, is in werkelijkheid de kracht van God die redt.
1 Korinthiërs 1
1 Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Sosthenes, de broeder,
2 Aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepenen heiligen, met allen, die den Naam van onzen Heere Jezus Christusaanroepen in alle plaats, beide hun en onzen Heere;
3 Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
4 Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus;
5 Dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede en alle kennis;
6 Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u;
7 Alzo dat het u aan gene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus.
8 Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus.
9 God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere.
10 Maar ik bid u, broeders, door den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat gijsamengevoegd zijt in een zelfden zin, en in een zelfde gevoelen.
11 Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van het huisgezin van Chloe zijn, dat er twisten onder u zijn.
12 En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.
13 Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus’ naam gedoopt?
14 Ik dank God, dat ik niemand van ulieden gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;
15 Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijn naam gedoopt heb.
16 Doch ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt; voorts weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb.
17 Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus nietverijdeld worde.
18 Want het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods;
19 Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken.
20 Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?
21 Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig temaken, die geloven;
22 Overmits de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken;
23 Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid;
24 Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods.
25 Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen; en het zwakke Gods is sterker dan de mensen.
26 Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.
27 Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zoubeschamen;
28 En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken;
29 Opdat geen vlees zou roemen voor Hem.
30 Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;









