Home Bijbel dagelijks Nieuwe Testament 46 1 Korinthiërs 1 Korinthiërs 15: Opstanding en overwinning in Christus

1 Korinthiërs 15: Opstanding en overwinning in Christus

0
1353
Streetart-romantische weergave van Christus’ opstanding en de overwinning op de dood, geïnspireerd door 1 Korinthiërs 15.
Romantische streetart-impressie van 1 Korinthiërs 15: de opstanding als symbool van hoop en eeuwig leven.

1 Korinthiërs 15 behoort tot de meest kernachtige en hoopvolle hoofdstukken van het Nieuwe Testament. Paulus behandelt hier de opstanding van Jezus Christus en de toekomstige opstanding van de gelovigen. Hij legt uit waarom de opstanding onmisbaar is voor het christelijk geloof, weerlegt twijfels en biedt een blik vooruit op de uiteindelijke overwinning van God over dood en verderf. Dit hoofdstuk vormt een fundament van de christelijke hoop en biedt diepe troost: de dood heeft niet het laatste woord.

De kern van het evangelie

Paulus begint met een samenvatting van de boodschap die hij zelf ontvangen en doorgegeven heeft: Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en is op de derde dag opgewekt, overeenkomstig de Schriften. Hij verscheen aan Kefas, daarna aan de twaalf, en vervolgens aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk. Deze getuigenissen dienen als bewijs dat de opstanding geen verzinsel is, maar een historisch feit. Voor Paulus is dit fundament van het geloof onmisbaar.

Christus’ verschijningen en Paulus’ getuigenis

Paulus benadrukt dat de verschijningen van de opgestane Christus betrouwbaar zijn. Hij verwijst niet alleen naar anderen, maar ook naar zichzelf. Hoewel hij zichzelf de geringste van de apostelen noemt, omdat hij de gemeente vervolgd had, erkent hij dat Gods genade hem tot een apostel gemaakt heeft. Daarmee legt hij de nadruk op Gods kracht en niet op zijn eigen verdiensten.

Zonder opstanding is het geloof leeg

Sommige Korinthiërs betwijfelden of er werkelijk een opstanding van de doden zou plaatsvinden. Paulus reageert krachtig: als er geen opstanding is, dan is Christus niet opgewekt. En als Christus niet is opgewekt, dan is de prediking leeg en is het geloof zinloos. Gelovigen zouden dan nog in hun zonden zijn, en zij die gestorven zijn in Christus zouden verloren zijn. Het christelijk geloof verliest zonder de opstanding zijn hele fundament.

Christus als eersteling

Paulus stelt dat Christus werkelijk uit de doden is opgewekt en daarmee de eersteling is van hen die ontslapen zijn. Zoals door één mens, Adam, de dood in de wereld kwam, zo komt door één mens, Christus, de opstanding van de doden. Allen die in Adam sterven, zullen in Christus levend gemaakt worden. Deze parallel benadrukt dat de opstanding geen bijzaak is, maar Gods plan van verlossing voor de hele mensheid.

De volgorde van de opstanding

Er is een duidelijke volgorde: eerst Christus, daarna bij Zijn komst allen die Hem toebehoren. Vervolgens komt het einde, wanneer Christus het koningschap aan God de Vader overdraagt, nadat Hij alle heerschappij, macht en kracht tenietgedaan heeft. De laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood. Zo zal God alles in allen zijn.

Leven en lijden in het licht van de opstanding

Paulus wijst erop dat het geloof in de opstanding betekenis geeft aan lijden en offer. Waarom zou hij dagelijks gevaar en vervolging doorstaan als de doden niet opgewekt worden? Dan zou men beter “eten en drinken, want morgen sterven wij.” Maar de zekerheid van de opstanding geeft moed om vol te houden en heilig te leven.

Het nieuwe lichaam

Een belangrijk gedeelte van dit hoofdstuk gaat over de vraag hoe de doden opgewekt zullen worden. Paulus gebruikt beelden uit de natuur: zoals een graankorrel gezaaid wordt en sterft om daarna in een nieuwe vorm op te komen, zo is het ook met de opstanding. Het lichaam dat nu vergankelijk is, wordt gezaaid in verderfelijkheid, maar opgewekt in onvergankelijkheid.

Het natuurlijke lichaam zal veranderd worden in een geestelijk lichaam. Zoals er een eerste Adam was, een levende ziel uit de aarde, zo is er ook een laatste Adam: Christus, de levengevende Geest uit de hemel. Gelovigen zullen aan Zijn beeld gelijk worden.

Het geheimenis van de opstanding

Paulus spreekt over een mysterie: niet allen zullen ontslapen, maar allen zullen veranderd worden. In een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, zullen de doden onvergankelijk opgewekt worden en zullen de levenden veranderd worden. Het vergankelijke zal onvergankelijkheid aandoen, en het sterfelijke zal onsterfelijkheid aandoen.

De overwinning op de dood

Wanneer dit gebeurt, zal het woord uit Jesaja in vervulling gaan: “De dood is verslonden in overwinning.” Paulus jubelt: “Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?” De prikkel van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet. Maar dank zij God, die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus.

Oproep tot standvastigheid

Het hoofdstuk eindigt met een praktische aansporing. Omdat de opstanding zekerheid is, hoeven gelovigen niet te wankelen. Paulus moedigt de gemeente aan om standvastig en overvloedig te zijn in het werk van de Heer, wetend dat hun arbeid niet vergeefs is in Hem.

Conclusie

1 Korinthiërs 15 vormt het hart van de christelijke hoop. De opstanding van Christus is het fundament, de opstanding van de gelovigen is de toekomst, en de overwinning op de dood is de belofte. Dit hoofdstuk verbindt geloof, hoop en volharding en bemoedigt christenen van alle tijden om trouw te blijven, omdat de dood niet het laatste woord heeft, maar het leven in Christus.


1 Korinthiërs 15

1 Voorts,   broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk   gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat;
2 Door   hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik   het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.
3 Want ik   heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat   Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
4 En dat Hij   is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;
5 En dat Hij   is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.
6 Daarna is   Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het meren   deel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen.
7 Daarna is   Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen.
8 En ten   laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.
9 Want ik   ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te   worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb.
10 Doch door   de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is   niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen;   dochniet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.
11 Hetzij dan   ik, hetzij zijlieden, alzo prediken wij, en alzo hebt gij geloofd.
12 Indien nu   Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen   sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is?
13 En indien   er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt.
14 En indien   Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw   geloof.
15 En zo   worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd,   dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijkde   doden niet opgewekt worden.
16 Want   indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt.
17 En indien   Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw   zonden.
18 Zo zijn   dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.
19 Indien wij   alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste   van alle mensen.
20 Maar nu,   Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die   ontslapen zijn.
21 Want   dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een   Mens.
22 Want   gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen   levend gemaakt worden.
23 Maar een   iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn,   in Zijn toekomst.
24 Daarna zal   het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal   overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij,   enalle macht en kracht.
25 Want Hij   moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal   gelegd hebben.
26 De laatste   vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.
27 Want Hij   heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle   dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt,Die Hem   alle dingen onderworpen heeft.
28 En wanneer   Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen   worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zijalles in   allen.
29 Anders,   wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden   ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt?
30 Waarom   zijn ook wij alle ure in gevaar?
31 Ik sterf   alle dagen, hetwelk ik betuig bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus,   onzen Heere.
32 Zo ik,   naar den mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het   mij, indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken,   wantmorgen sterven wij.
33 Dwaalt   niet, kwade samensprekingen verderven goede zeden.
34 Waakt op   rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God   niet. Ik zeg het u tot schaamte.
35 Maar, zal   iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een   lichaam zullen zij komen?
36 Gij dwaas,   hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;
37 En hetgeen   gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot   graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig der andere granen.
38 Maar God   geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn   eigen lichaam.
39 Alle vlees   is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander   is het vlees der beesten, en een ander der vissen, en een ander der vogelen.
40 En er zijn   hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de   heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse.
41 Een andere   is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een   andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt   inheerlijkheid van de andere ster.
42 Alzo zal   ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in   verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;
43 Het wordt   gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in   zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.
44 Een   natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er   opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.
45 Alzo is er   ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de   laatste Adam tot een levendmakenden Geest.
46 Doch het   geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.
47 De eerste   mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.
48 Hoedanig   de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de hemelse is,   zodanige zijn ook de hemelsen.
49 En   gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook   het beeld des hemelsen dragen.
50 Doch dit   zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beerven kunnen,   en de verderfelijkheid beerft de onverderfelijkheid niet.
51 Ziet, ik   zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen   allen veranderd worden;
52 In een   punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal   slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen   veranderdworden.
53 Want dit   verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet   onsterfelijkheid aandoen.
54 En wanneer   dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke   zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden,   datgeschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.
55 Dood, waar   is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?
56 De prikkel   nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.
57 Maar Gode   zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.
58 Zo dan,   mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig   zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in   den Heere.