
1 Korinthiërs 15 behoort tot de meest kernachtige en hoopvolle hoofdstukken van het Nieuwe Testament. Paulus behandelt hier de opstanding van Jezus Christus en de toekomstige opstanding van de gelovigen. Hij legt uit waarom de opstanding onmisbaar is voor het christelijk geloof, weerlegt twijfels en biedt een blik vooruit op de uiteindelijke overwinning van God over dood en verderf. Dit hoofdstuk vormt een fundament van de christelijke hoop en biedt diepe troost: de dood heeft niet het laatste woord.
De kern van het evangelie
Paulus begint met een samenvatting van de boodschap die hij zelf ontvangen en doorgegeven heeft: Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en is op de derde dag opgewekt, overeenkomstig de Schriften. Hij verscheen aan Kefas, daarna aan de twaalf, en vervolgens aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk. Deze getuigenissen dienen als bewijs dat de opstanding geen verzinsel is, maar een historisch feit. Voor Paulus is dit fundament van het geloof onmisbaar.
Christus’ verschijningen en Paulus’ getuigenis
Paulus benadrukt dat de verschijningen van de opgestane Christus betrouwbaar zijn. Hij verwijst niet alleen naar anderen, maar ook naar zichzelf. Hoewel hij zichzelf de geringste van de apostelen noemt, omdat hij de gemeente vervolgd had, erkent hij dat Gods genade hem tot een apostel gemaakt heeft. Daarmee legt hij de nadruk op Gods kracht en niet op zijn eigen verdiensten.
Zonder opstanding is het geloof leeg
Sommige Korinthiërs betwijfelden of er werkelijk een opstanding van de doden zou plaatsvinden. Paulus reageert krachtig: als er geen opstanding is, dan is Christus niet opgewekt. En als Christus niet is opgewekt, dan is de prediking leeg en is het geloof zinloos. Gelovigen zouden dan nog in hun zonden zijn, en zij die gestorven zijn in Christus zouden verloren zijn. Het christelijk geloof verliest zonder de opstanding zijn hele fundament.
Christus als eersteling
Paulus stelt dat Christus werkelijk uit de doden is opgewekt en daarmee de eersteling is van hen die ontslapen zijn. Zoals door één mens, Adam, de dood in de wereld kwam, zo komt door één mens, Christus, de opstanding van de doden. Allen die in Adam sterven, zullen in Christus levend gemaakt worden. Deze parallel benadrukt dat de opstanding geen bijzaak is, maar Gods plan van verlossing voor de hele mensheid.
De volgorde van de opstanding
Er is een duidelijke volgorde: eerst Christus, daarna bij Zijn komst allen die Hem toebehoren. Vervolgens komt het einde, wanneer Christus het koningschap aan God de Vader overdraagt, nadat Hij alle heerschappij, macht en kracht tenietgedaan heeft. De laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood. Zo zal God alles in allen zijn.
Leven en lijden in het licht van de opstanding
Paulus wijst erop dat het geloof in de opstanding betekenis geeft aan lijden en offer. Waarom zou hij dagelijks gevaar en vervolging doorstaan als de doden niet opgewekt worden? Dan zou men beter “eten en drinken, want morgen sterven wij.” Maar de zekerheid van de opstanding geeft moed om vol te houden en heilig te leven.
Het nieuwe lichaam
Een belangrijk gedeelte van dit hoofdstuk gaat over de vraag hoe de doden opgewekt zullen worden. Paulus gebruikt beelden uit de natuur: zoals een graankorrel gezaaid wordt en sterft om daarna in een nieuwe vorm op te komen, zo is het ook met de opstanding. Het lichaam dat nu vergankelijk is, wordt gezaaid in verderfelijkheid, maar opgewekt in onvergankelijkheid.
Het natuurlijke lichaam zal veranderd worden in een geestelijk lichaam. Zoals er een eerste Adam was, een levende ziel uit de aarde, zo is er ook een laatste Adam: Christus, de levengevende Geest uit de hemel. Gelovigen zullen aan Zijn beeld gelijk worden.
Het geheimenis van de opstanding
Paulus spreekt over een mysterie: niet allen zullen ontslapen, maar allen zullen veranderd worden. In een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, zullen de doden onvergankelijk opgewekt worden en zullen de levenden veranderd worden. Het vergankelijke zal onvergankelijkheid aandoen, en het sterfelijke zal onsterfelijkheid aandoen.
De overwinning op de dood
Wanneer dit gebeurt, zal het woord uit Jesaja in vervulling gaan: “De dood is verslonden in overwinning.” Paulus jubelt: “Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?” De prikkel van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet. Maar dank zij God, die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus.
Oproep tot standvastigheid
Het hoofdstuk eindigt met een praktische aansporing. Omdat de opstanding zekerheid is, hoeven gelovigen niet te wankelen. Paulus moedigt de gemeente aan om standvastig en overvloedig te zijn in het werk van de Heer, wetend dat hun arbeid niet vergeefs is in Hem.
Conclusie
1 Korinthiërs 15 vormt het hart van de christelijke hoop. De opstanding van Christus is het fundament, de opstanding van de gelovigen is de toekomst, en de overwinning op de dood is de belofte. Dit hoofdstuk verbindt geloof, hoop en volharding en bemoedigt christenen van alle tijden om trouw te blijven, omdat de dood niet het laatste woord heeft, maar het leven in Christus.
1 Korinthiërs 15
| 1 | Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat; |
| 2 | Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt. |
| 3 | Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; |
| 4 | En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften; |
| 5 | En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven. |
| 6 | Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het meren deel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen. |
| 7 | Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen. |
| 8 | En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. |
| 9 | Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb. |
| 10 | Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; dochniet ik, maar de genade Gods, Die met mij is. |
| 11 | Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzo prediken wij, en alzo hebt gij geloofd. |
| 12 | Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is? |
| 13 | En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. |
| 14 | En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof. |
| 15 | En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijkde doden niet opgewekt worden. |
| 16 | Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt. |
| 17 | En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden. |
| 18 | Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. |
| 19 | Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. |
| 20 | Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. |
| 21 | Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens. |
| 22 | Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. |
| 23 | Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. |
| 24 | Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, enalle macht en kracht. |
| 25 | Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. |
| 26 | De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. |
| 27 | Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt,Die Hem alle dingen onderworpen heeft. |
| 28 | En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zijalles in allen. |
| 29 | Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt? |
| 30 | Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar? |
| 31 | Ik sterf alle dagen, hetwelk ik betuig bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus, onzen Heere. |
| 32 | Zo ik, naar den mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, wantmorgen sterven wij. |
| 33 | Dwaalt niet, kwade samensprekingen verderven goede zeden. |
| 34 | Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte. |
| 35 | Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen? |
| 36 | Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is; |
| 37 | En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig der andere granen. |
| 38 | Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam. |
| 39 | Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander is het vlees der beesten, en een ander der vissen, en een ander der vogelen. |
| 40 | En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse. |
| 41 | Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt inheerlijkheid van de andere ster. |
| 42 | Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; |
| 43 | Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. |
| 44 | Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam. |
| 45 | Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest. |
| 46 | Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke. |
| 47 | De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel. |
| 48 | Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen. |
| 49 | En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des hemelsen dragen. |
| 50 | Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beerven kunnen, en de verderfelijkheid beerft de onverderfelijkheid niet. |
| 51 | Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; |
| 52 | In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderdworden. |
| 53 | Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. |
| 54 | En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, datgeschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. |
| 55 | Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? |
| 56 | De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet. |
| 57 | Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus. |
| 58 | Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere. |








