
In Romeinen 10 bespreekt Paulus hoe mensen gered kunnen worden: niet door de wet te houden, maar door te geloven in Jezus Christus. Hij legt uit dat het geloof komt door het horen van Gods Woord en onderstreept dat God Zijn redding aanbiedt aan iedereen, Jood en heiden.
Gerechtigheid uit de wet vs. gerechtigheid uit geloof
Paulus begint het hoofdstuk met een hartstochtelijk verlangen dat zijn volksgenoten – de Joden – gered worden. Hij erkent hun ijver voor God, maar klaagt dat die ijver niet gebaseerd is op ware kennis. Ze proberen nog steeds gerechtigheid te verkrijgen door de wet te houden, in plaats van zich te onderwerpen aan de gerechtigheid van God.
“Want het einddoel der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.” (Romeinen 10:4)
Gerechtigheid uit geloof is volgens Paulus nabij: zij is toegankelijk, en men hoeft er niet ver voor te reizen of moeilijk over te doen. Hij citeert Deuteronomium 30: “Het woord is nabij u, in uw mond en in uw hart.”
Belijden en geloven: de weg tot redding
Paulus komt tot de kern van het evangelie:
“Indien gij met uw mond belijdt den Heere Jezus, en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.” (Romeinen 10:9)
Redding is niet gebaseerd op afkomst of prestaties, maar op geloof in Jezus als de opgestane Heer. Er is geen onderscheid tussen Jood en Griek; God is rijk over allen die Hem aanroepen. Dit is een radicale boodschap: redding is universeel, door genade.
“Een ieder, die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.” (Romeinen 10:13)
De noodzaak van prediking
In vers 14-17 stelt Paulus een reeks logische vragen:
“Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder die hun predikt?”
Hiermee onderstreept hij het belang van prediking en evangelisatie. Geloof ontstaat niet in een vacuüm, maar door het horen van het Woord van Christus. Daarom is het essentieel dat mensen gezonden worden om het evangelie te verkondigen.
“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” (Romeinen 10:17)
Het ongelovige Israël
Paulus erkent dat hoewel het evangelie is verkondigd, velen van Israël het niet hebben aangenomen. Hij citeert Jesaja: “Heere, wie heeft onze prediking geloofd?” en ook Mozes: “Ik zal u tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn.” God heeft Zich kenbaar gemaakt, maar Israël is in ongeloof blijven volharden.
“Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.” (Romeinen 10:20)
Toch eindigt het hoofdstuk met hoop en verdriet tegelijk:
“Tot Israël daarentegen zegt Hij: Den gansen dag heb Ik Mijn handen uitgebreid tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.” (Romeinen 10:21)
God blijft genadig en uitnodigend, ook tegenover wie Hem afwijzen.
Conclusie
Romeinen 10 is een krachtig hoofdstuk over de eenvoud van redding door geloof. Belijden en geloven leiden tot eeuwig leven. Tegelijk benadrukt Paulus hoe belangrijk het is dat mensen het evangelie horen. En ook al wijst Israël het evangelie af, God blijft Zijn handen uitstrekken in liefde.
Romeinen 10
- Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israel doe, is tot hun zaligheid.
2 Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand.
3 Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.
4 Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.
5 Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.
6 Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen.
7 Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen.
8 Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.
9 Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.
10 Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.
11 Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.
12 Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen.
13 Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.
14 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zijhoren, zonder die hun predikt?
15 En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die hetgoede verkondigen!
16 Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd?
17 Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.
18 Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld.
19 Maar ik zeg: Heeft Israel het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandigvolk zal ik u tot toorn verwekken.
20 En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.
21 Maar tegen Israel zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk








