Johannes 17

0
1490
Jezus bidt in een brede zonsondergangsscène met Zijn discipelen, in expressieve streetart-romantiekstijl vol warme kleuren.
Een visuele weergave van Johannes 17: Jezus bidt hartstochtelijk tot de Vader, omringd door Zijn discipelen in de schemering.

Johannes 17 vormt het sluitstuk van Jezus’ afscheidstoespraak (Johannes 13–17). In tegenstelling tot de andere evangeliën beschrijft Johannes geen strijd in Gethsémané, maar een moment van diepe geestelijke overgave. Jezus spreekt niet alleen over God, maar direct mét God.

Hij spreekt niet vanuit zwakte, maar vanuit volledige toewijding en innerlijke rust:

“Vader, de ure is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.” (Joh. 17:1, SVV)

Jezus bidt voor zichzelf

 Glorie en gehoorzaamheid

Jezus weet dat het uur gekomen is. Hij vraagt de Vader Hem te verheerlijken – niet om roem, maar opdat God in Hem verheerlijkt wordt. Zijn dood wordt geen nederlaag, maar het hoogtepunt van Gods reddingsplan.

Eeuwig leven gedefinieerd

In vers 3 zegt Jezus:

“Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.”

Jezus maakt duidelijk dat eeuwig leven niet alleen over de toekomst gaat, maar over het kennen van God in het hier en nu – relationeel, niet alleen intellectueel.

Jezus bidt voor zijn discipelen

Overdracht van het Woord

Jezus heeft Gods Woord aan zijn discipelen overgedragen. Zij hebben het aangenomen, en nu vraagt Hij God hen te bewaren in Zijn Naam. Hij bidt nadrukkelijk niet voor de wereld, maar voor hen die Hem toebehoren (vers 9).

Bewaring in de wereld

Jezus bidt niet dat zij uit de wereld worden weggenomen, maar dat zij bewaard blijven van het kwaad (vers 15).
Hij erkent de spanningsvolle situatie waarin zijn volgelingen verkeren: in de wereld, maar niet van de wereld.

“Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.” (vers 17)

Jezus bidt voor alle gelovigen

Eén in God

Het hoogtepunt van het gebed ligt in vers 20-23:
Jezus bidt voor hen die door het getuigenis van de discipelen tot geloof zullen komen – dat wil zeggen: alle toekomstige gelovigen.
Zijn kernwens is: eenheid.

“Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U.” (vers 21)

Verbonden in liefde

De eenheid is niet institutioneel of uiterlijk, maar innerlijk: een geestelijke verbondenheid die ontspringt uit de liefde tussen Vader en Zoon.

“Opdat de wereld erkenne dat Gij Mij gezonden hebt.” (vers 23)

Eenheid is dus ook missionair: het overtuigt de wereld van Jezus’ goddelijke oorsprong.

Theologische en filosofische reflectie

Johannes 17 laat diepe christologische en trinitarische noties zien. Jezus bidt niet als ondergeschikte maar als Degene die vóór de schepping al in heerlijkheid met de Vader was (vers 5).

Het gebed getuigt van een bijzondere relatie tussen God en mens via Christus.
De filosoof Søren Kierkegaard beschreef dit hoofdstuk als:

“het gesprek waarin de Eeuwige zichzelf openbaart als liefde.”

Toepassing voor vandaag

  • Gebed als relatie: Jezus’ gebed toont hoe intiem het gebed mag zijn: niet plichtmatig, maar vol vertrouwen.
  • Heiliging door het Woord: God wil ons vormen door zijn waarheid, niet door conformiteit aan de wereld.
  • Eenheid als getuigenis: In een tijd van kerkelijke verdeeldheid is Jezus’ gebed pijnlijk actueel – zijn verlangen is dat wij werkelijk één zijn.
  • De kracht van voorspraak: Jezus bidt voor ons, zelfs nu nog (Hebreeën 7:25).

Johannes 17

1 Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon Uverheerlijke.

2 Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve.

3 En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.

4 Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen;

5 En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.

6 Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woordbewaard.

7 Nu hebben zij bekend, dat alles, wat Gij Mij gegeven hebt, van U is.

8 Want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, enhebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.

9 Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw.

10 En al het Mijne is Uw, en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt.

11 En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zijeen zijn, gelijk als Wij.

12 Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan dezoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.

13 Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijn blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven.

14 Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben.

15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze.

16 Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben.

17 Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.

18 Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden.

19 En Ik heilige Mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.

20 En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen.

21 Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.

22 En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij een zijn, gelijk als Wij Een zijn;

23 Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in een, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehadhebt.

24 Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; wantGij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.

25 Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en dezen hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt.

26 En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.