Home Bijbel dagelijks Nieuwe Testament 58 Hebreeën Hebreeën 7: Christus de eeuwige Hogepriester

Hebreeën 7: Christus de eeuwige Hogepriester

0
1106
Koning Melchizedek zegent Abraham als beeld van Christus’ eeuwige priesterschap
Afbeelding van Melchizedek die Abraham zegent, symbool van Christus als eeuwige Hogepriester

Hebreeën 7 is een sleutelhoofdstuk in de brief aan de Hebreeën. Hier wordt duidelijk gemaakt dat Jezus Christus een priester is naar de orde van Melchizedek, en niet naar de orde van Aäron. Daarmee legt de schrijver uit dat het priesterschap van Christus volmaakter, eeuwiger en hoger is dan het oude Levitische priesterschap. Dit hoofdstuk maakt zichtbaar dat het oude verbond zijn vervulling vindt in het nieuwe verbond van genade in Christus. Het is een oproep tot vertrouwen op Jezus als eeuwige Hogepriester die ons voor God vertegenwoordigt.

Melchizedek in de Schrift

Melchizedek verschijnt in Genesis 14 als koning van Salem en priester van de Allerhoogste God. Abraham ontmoette hem na de overwinning op Kedor-Laomer en de koningen die met hem verbonden waren. Melchizedek zegende Abraham en Abraham gaf hem tienden van alles. Deze korte maar diepe passage laat zien dat Melchizedek zowel koninklijke als priesterlijke macht had, iets wat uitzonderlijk is in de Bijbel. Zijn naam betekent “koning van gerechtigheid” en Salem betekent “vrede”, waardoor hij symbool staat voor gerechtigheid en vrede samen. In Hebreeën 7 wordt hij beschreven als zonder vader, zonder moeder en zonder geslachtsregister. Dit moet niet letterlijk gelezen worden, maar benadrukt zijn eeuwige en unieke rol als type van Christus.

Het belang van tienden

Een belangrijk punt in Hebreeën 7 is dat zelfs Abraham, de vader van het geloof, tienden gaf aan Melchizedek. Daarmee wordt aangetoond dat Melchizedek groter is dan Abraham, en dus ook groter dan Levi, die in Abraham’s geslacht vertegenwoordigd was. Als Abraham buigt voor Melchizedek, dan buigt daarmee ook het gehele priestergeslacht dat uit hem voortkomt. Het ontvangen van tienden bevestigt het gezag van Melchizedek en wijst vooruit naar het eeuwige gezag van Christus.

Het priesterschap van Levi is onvolmaakt

Het priesterschap van Levi, ingesteld door de wet van Mozes, was tijdelijk en onvolmaakt. Priesters moesten dagelijks offers brengen, niet alleen voor het volk, maar ook voor zichzelf. Bovendien waren zij sterfelijk en moesten telkens door opvolgers vervangen worden. De schrijver van Hebreeën benadrukt dat de wet niemand tot volmaaktheid heeft gebracht. Als er volmaaktheid was gekomen door het Levitische priesterschap, dan was er geen ander priesterschap nodig geweest. Maar omdat dit niet zo was, kondigde God een nieuw en hoger priesterschap aan, naar de orde van Melchizedek.

Jezus Christus als Hogepriester

Jezus wordt in Hebreeën 7 gepresenteerd als de volmaakte Hogepriester. Hij stamt niet uit Levi maar uit Juda, de stam waaruit koningen kwamen. Toch ontvangt Hij het priesterschap niet op grond van afstamming, maar op grond van de kracht van een onvergankelijk leven. God zelf heeft met een eed gezworen: “Gij zijt priester in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek.” Deze eed maakt duidelijk dat het priesterschap van Christus niet tijdelijk is, maar eeuwig. Zijn offer aan het kruis is volmaakt, éénmalig en volledig genoegzaam om ons voor altijd te verzoenen met God.

Het verschil tussen de oude en nieuwe orde

Waar de Levitische priesters dagelijks offers moesten brengen, heeft Christus één offer gebracht dat voor altijd geldt. Hij hoeft niet, zoals de andere priesters, eerst voor zichzelf te offeren. Hij is heilig, onschuldig, onbesmet en afgescheiden van de zondaars. Daarom is Hij de enige die volmaakt tussen God en mensen kan bemiddelen. Zijn priesterschap is onverwoestbaar, omdat Hij leeft tot in eeuwigheid. Hierdoor kan Hij ieder die tot God komt volledig behouden.

Het belang voor gelovigen vandaag

Hebreeën 7 is geschreven om gelovigen moed en zekerheid te geven. De eerste lezers van deze brief waren in verleiding om terug te vallen op het oude systeem van offers en wetten. De schrijver laat zien dat dit niet nodig is, omdat Christus alles vervuld heeft. Voor ons betekent dit dat wij niet afhankelijk zijn van menselijke priesters of rituelen, maar dat wij rechtstreeks toegang hebben tot God door Jezus. Hij bidt voor ons, Hij pleit voor ons en Hij staat altijd borg voor ons behoud. Zijn priesterschap is de garantie dat ons geloof niet tevergeefs is.

De kern van Hebreeën 7

De boodschap van Hebreeën 7 kan samengevat worden in drie hoofdgedachten. Ten eerste dat Melchizedek een voorafschaduwing is van Christus, groter dan Abraham en Levi. Ten tweede dat het oude priesterschap tekortschiet en daarom vervangen moest worden. En ten derde dat Jezus Christus de volmaakte Hogepriester is, eeuwig en heilig, die voor altijd kan redden wie door Hem tot God naderen. Dit geeft hoop, zekerheid en rust aan ieder die op Hem vertrouwt.

Conclusie

Hebreeën 7 verkondigt dat de gelovige alles vindt in Christus. Waar de wet zwak was, is Hij sterk. Waar offers telkens herhaald moesten worden, is Zijn offer eenmalig en afdoende. Waar priesters sterfelijk waren, leeft Hij in eeuwigheid. Dit hoofdstuk nodigt ons uit om vol vertrouwen ons leven in Zijn handen te leggen, want Hij is onze eeuwige Hogepriester die ons altijd vertegenwoordigt voor de troon van God.

 


Hebreeën 7

1 Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester des Allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging, als hij wederkeerde van het slaan der koningen, en hem zegende;

2 Aan welken ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning der gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, hetwelk is een koning des vredes;

3 Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende; maar den Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid.

4 Aanmerkt nu, hoe groot deze geweest zij, aan denwelken ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft uit den buit.

5 En die uit de kinderen van Levi het priesterdom ontvangen, hebben wel bevel om tienden te nemen van het volk, naar de wet, dat is, van hun broederen, hoewel die uit de lenden van Abraham voortgekomen zijn.

6 Maar hij, die zijn geslachtsrekening uit hen niet heeft, die heeft van Abraham tienden genomen, en hem, die de beloftenissen had, heeft hij gezegend.

7 Nu, zonder enig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is.

8 En hier nemen wel tienden de mensen, die sterven, maar aldaar neemt ze die, van welken getuigd wordt, dat hij leeft.

9 En, om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven;

10 Want hij was nog in de lenden des vaders, als hem Melchizedek tegemoet ging.

11 Indien dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap ware (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron?

12 Want het priesterschap veranderd zijnde, zo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet.

13 Want Hij, op Wien deze dingen gezegd worden, behoort tot een anderen stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft.

14 Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.

15 En dit is nog veel meer openbaar, zo er naar de gelijkenis van Melchizedek een ander priester opstaat:

16 Die dit niet naar de wet des vleselijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onvergankelijken levens.

17 Want Hij getuigt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.

18 Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om deszelfs zwakheids en onprofijtelijkheids wil;

19 Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken.

20 En voor zoveel het niet zonder eedzwering is geschied, (want genen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden;

21 Maar Deze met eedzwering, door Dien, Die tot Hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek).

22 Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden.

23 En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven;

24 Maar Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap.

25 Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.

26 Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden;

27 Dien het niet allen dag nodig was, gelijk den hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden des volks; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.

28 Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt den Zoon, Die in der eeuwigheid geheiligd is.