Home Bijbel dagelijks Oude Testament 24 Jeremia Jeremia 31: Het Nieuwe Verbond en Gods eeuwige trouw

Jeremia 31: Het Nieuwe Verbond en Gods eeuwige trouw

0
1093
Streetart-beeld van hoop en herstel: Israël keert terug naar Sion, onder een hemel vol licht — symbool van Gods eeuwige verbond.
Symbolisch beeld van hoop en herstel volgens Jeremia 31.

Jeremia 31 is een van de meest troostrijke hoofdstukken in het Oude Testament. Het beschrijft Gods liefde voor Zijn volk, de terugkeer uit ballingschap en het Nieuwe Verbond dat Hij zal sluiten — niet op stenen tafelen, maar in menselijke harten. Deze woorden vormen een brug tussen het Oude en het Nieuwe Testament en openbaren Gods onwankelbare trouw, Zijn genade en Zijn plan tot vernieuwing.

Het herstel van Israël (Jeremia 31:1-6)

God verklaart dat Hij Israël opnieuw tot Zijn volk zal maken. “Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid” (vers 3). Deze woorden tonen de onveranderlijke liefde van God, ondanks Israëls ontrouw. Hij zal hen opnieuw opbouwen, en zij zullen weer dansen en zingen. De akkers van Samaria zullen opnieuw beplant worden, een beeld van herleving en vruchtbaarheid.

De oproep “Maakt u op, laat ons optrekken naar Sion, tot de HEERE, onze God!” (vers 6) toont de geestelijke herleving: aanbidding wordt weer centraal.

De vreugde van de terugkeer (Jeremia 31:7-14)

De profeet roept op tot gejubel: het overblijfsel van Israël zal verzameld worden uit verre landen. God belooft bescherming voor de zwakken: “Blinden en kreupelen, zwangeren en barenden” — niemand wordt vergeten.

Hun tranen worden gewist: “Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren” (vers 9). De weg terug is niet alleen fysiek, maar ook geestelijk. God noemt Israël “Mijn eerstgeboren zoon”, een verwijzing naar Zijn bijzondere verbondsrelatie.

De vreugde is universeel: zelfs de heidenvolken worden opgeroepen om de redding van Israël te verkondigen. In de velden zal weer koren zijn, en priesters zullen overvloedig verzadigd worden.

De klacht van Rachel en Gods troost (Jeremia 31:15-17)

In een aangrijpend beeld hoort Rachel — de moeder van Israël — haar kinderen wenen. Zij weigert getroost te worden, “omdat zij er niet zijn”. Deze symbolische rouw verwijst naar de ballingschap en het lijden van Gods volk.

Maar de HEERE antwoordt met belofte: “Uw arbeid zal loon hebben… en zij zullen wederkomen uit des vijands land.” God troost Zijn volk met toekomst en hoop. Dit vers wordt in Matteüs 2:18 aangehaald bij de kindermoord van Bethlehem — als teken dat Gods plan, zelfs in verdriet, voortgaat.

De bekering van Efraïm (Jeremia 31:18-22)

Efraïm, een aanduiding voor het noordelijke rijk Israël, erkent zijn zonden en vraagt om herstel: “Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.” God antwoordt met ontroering: “Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon?”

Hier zien we Gods vaderhart: Hij kastijdt, maar vergeet nooit. De oproep om terug te keren “naar uw steden” laat zien dat vergeving leidt tot herstel van gemeenschap. God spreekt over een nieuw begin — zelfs de schepping lijkt te juichen over dit herstel.

De nieuwe weg van zegen (Jeremia 31:23-30)

In het herstelde land zal men weer zeggen: “De HEERE zegene u, o woonstede der gerechtigheid.” Stad en land worden opnieuw bevolkt, het land wordt vruchtbaar. De mensen zullen niet langer klagen over de schuld der vaderen (“De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden”), want ieder zal zelf verantwoordelijk zijn voor zijn daden.

Dit markeert een nieuw tijdperk van persoonlijk geloof en rechtvaardigheid.

Het Nieuwe Verbond (Jeremia 31:31-34)

Het hart van dit hoofdstuk ligt in deze verzen. God kondigt een “Nieuw Verbond” aan, anders dan het verbond dat Hij met hun vaderen sloot bij de uittocht uit Egypte.

“Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (vers 33)

Hier wordt niet langer een uiterlijke wet bedoeld, maar een innerlijke vernieuwing door de Geest van God. Vergeving en genade vormen de kern: “Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonde niet meer gedenken.”

Deze belofte vervult zich in Jezus Christus, zoals bevestigd wordt in Hebreeën 8:8-12.

Gods eeuwige trouw (Jeremia 31:35-40)

Het hoofdstuk sluit af met een majestueuze verklaring van Gods onveranderlijkheid. Zoals de zon, maan en sterren hun vaste orde hebben, zo zal ook Israël niet ophouden een volk voor Hem te zijn.

Zelfs als de hemel gemeten en de aarde onderzocht zou kunnen worden, “zal Ik ook het ganse zaad van Israël verwerpen niet.” Gods trouw overstijgt menselijke ontrouw.

Het slot beschrijft Jeruzalems herbouw — zelfs de vroegere verwoeste plaatsen worden weer heilig voor de HEERE. Het beeld van vernieuwing, vergeving en vrede wijst vooruit naar het hemelse Jeruzalem, waar God voor eeuwig onder Zijn volk zal wonen.

Theologische betekenis

Jeremia 31 openbaart de diepe liefde van God, Zijn verlangen naar gemeenschap met de mens en de belofte van een vernieuwd hart. Het Nieuwe Verbond is niet slechts een verandering van wetten, maar van natuur — van binnenuit.

De kern van deze boodschap is: Gods trouw houdt stand, Zijn vergeving is volkomen, en Zijn liefde is eeuwig.


Jeremia 31

1 Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.

2 Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen.

3 De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.

4 Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden.

5 Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.

6 Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraïms gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God!

7 Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israël.

8 Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.

9 Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene.

10 Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.

11 Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij.

12 Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.

13 Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis.

14 En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE.

15 Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.

16 Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen.

17 En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale.

18 Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!

19 Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.

20 Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE.

21 Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israëls, keer weder tot deze uw steden!

22 Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter? Want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen.

23 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De HEERE zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid!

24 En Juda, mitsgaders al zijn steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen.

25 Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.

26 (Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)

27 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten.

28 En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE.

29 In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden.

30 Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.

31 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;

32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;

33 Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.

34 En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.

35 Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam:

36 Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.

37 Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.

38 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze stad den HEERE zal herbouwd worden, van den toren Hananeel af tot aan de Hoekpoort.

39 En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.

40 En het ganse dal der dode lichamen en der as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den HEERE een heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.