Het bijbelboek Handelingen, geschreven door Lucas, vormt het vervolg op het Evangelie naar Lucas en beschrijft de geboorte en groei van de eerste christelijke gemeente. In Handelingen 1 wordt de overgang geschetst van Jezus’ aardse bediening naar de leiding van de Heilige Geest in de kerk. Het hoofdstuk bevat Jezus’ verschijningen na zijn opstanding, zijn belofte van de Heilige Geest, de opdracht om het evangelie te verkondigen, de hemelvaart en de vervanging van Judas door Matthias. Dit fundament markeert het begin van de verspreiding van het christelijk geloof door de apostelen.
Jezus verschijnt veertig dagen na zijn opstanding
Na zijn opstanding uit de dood verschijnt Jezus gedurende veertig dagen meerdere malen aan zijn discipelen. Hij spreekt met hen over het Koninkrijk van God en bevestigt zijn identiteit als de levende Heer. Deze verschijningen versterken hun geloof en bereiden hen voor op hun toekomstige taak. Jezus toont dat de opstanding niet slechts een geestelijke waarheid is, maar een lichamelijke realiteit: hij eet met hen en spreekt vertrouwelijk, zoals een leraar met zijn leerlingen.
De belofte van de Heilige Geest
Jezus beveelt zijn discipelen om Jeruzalem niet te verlaten, maar te wachten op de vervulling van de belofte van de Vader: de uitstorting van de Heilige Geest. Hij legt uit dat Johannes doopte met water, maar dat zij binnenkort gedoopt zullen worden met de Heilige Geest. Dit zal hen toerusten met kracht om getuigen van Jezus te zijn, niet alleen in Jeruzalem, maar ook in Judea, Samaria en tot het uiterste der aarde.
Deze belofte benadrukt dat de missie van de kerk niet voortkomt uit menselijke inspanning, maar uit goddelijke kracht en leiding.
De vraag naar het herstel van het koninkrijk
De discipelen vragen Jezus of hij in die tijd het koninkrijk voor Israël zal herstellen. Jezus antwoordt dat het hun niet gegeven is tijden of gelegenheden te weten die de Vader in zijn eigen macht gesteld heeft. Hiermee verlegt hij hun aandacht van politieke verwachtingen naar hun geestelijke roeping: getuigen te zijn van het evangelie. Het Koninkrijk van God wordt zo niet beperkt tot een natie, maar strekt zich uit tot alle volkeren.
De hemelvaart van Jezus
Na deze woorden wordt Jezus opgenomen naar de hemel. Terwijl de discipelen hem nakijken, wordt hij onttrokken aan hun ogen door een wolk. Twee engelen verschijnen en verzekeren hen dat Jezus op dezelfde wijze zal terugkomen als zij hem hebben zien heengaan. De hemelvaart benadrukt dat Jezus regeert aan de rechterhand van God, maar ook dat zijn terugkomst zeker is. Voor de discipelen is dit zowel een belofte als een opdracht: hun Heer leeft en zal terugkeren, maar intussen hebben zij de taak het evangelie te verkondigen.
Terugkeer naar Jeruzalem en volhardend gebed
De apostelen keren terug naar Jeruzalem en verblijven in de opperzaal. Daar volharden zij eensgezind in gebed, samen met de vrouwen, Maria de moeder van Jezus, en zijn broers. Dit gebedsleven toont het belang van geestelijke voorbereiding en verbondenheid. De vroege kerk wordt hier getekend als een gemeenschap die samen bidt en wacht op Gods ingrijpen.
Petrus’ toespraak en de vervanging van Judas
Te midden van de gelovigen, die ongeveer 120 personen omvatten, staat Petrus op. Hij spreekt over de vervulling van de Schrift in het lot van Judas, die Jezus had verraden. Omdat Judas gestorven is, moet een nieuwe apostel worden gekozen om het getal van twaalf te herstellen.
De criteria zijn duidelijk: de nieuwe apostel moet vanaf de doop van Johannes tot de hemelvaart een getuige van Jezus’ leven en opstanding zijn geweest. Twee mannen worden voorgesteld: Jozef Barsabas, ook Justus genoemd, en Matthias. Na gebed wordt het lot geworpen, en Matthias wordt toegevoegd aan de elf apostelen.
Theologische betekenis van Handelingen 1
Handelingen 1 legt de basis voor de rest van het boek:
- Continuïteit: de bediening van Jezus gaat door via de Heilige Geest en de apostelen.
- Missie: de opdracht om getuigen te zijn strekt zich wereldwijd uit.
- Gebed: de gemeenschap zoekt eensgezind Gods leiding.
- Leiderschap: God voorziet in apostolisch gezag en continuïteit.
- Hoop: de hemelvaart wijst op Jezus’ heerschappij en toekomstige terugkeer.
Dit hoofdstuk vormt daarmee de brug tussen het evangelie en de wereldwijde beweging van het christendom.
Handelingen 1
1 Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren;
2 Tot op den dag, in welken Hij opgenomen is, nadat Hij door den Heiligen Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven.
3 Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, ensprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.
4 En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij, zeide Hij, vanMij gehoord hebt.
5 Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.
6 Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israel het Koninkrijk wederoprichten?
7 En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
8 Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, entot aan het uiterste der aarde.
9 En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
10 En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;
11 Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijsgij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
12 Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van den berg, die genaamd wordt de Olijf berg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.
13 En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas,Bartholomeus en Mattheus, Jakobus, de zoon van Alfeus, en Simon Zelotes, en Judas, de broeder van Jakobus.
14 Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broederen.
15 En in dezelve dagen stond Petrus op in het midden der discipelen, en sprak (er was nu een schare bijeen van omtrent honderd en twintig personen):
16 Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest isdergenen die Jezus vingen;
17 Want hij was met ons gerekend, en had het lot dezer bediening verkregen.
18 Deze dan heeft verworven een akker, door het loon der ongerechtigheid, en voorwaarts overgevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijnuitgestort.
19 En het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, alzo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker des bloeds.
20 Want er staat geschreven in het boek der Psalmen; Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelve wone. En: Een ander neme zijnopzienersambt.
21 Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons ongedaan hebben al den tijd, in welken de Heere Jezus onder ons ingegaan en uitgegaan is,
22 Beginnende van den doop van Johannes, tot den dag toe, in welken Hij van ons opgenomen is, een derzelven met ons getuige worde van Zijn opstanding.
23 En zij stelden er twee, Jozef, genaamd Barsabas, die toegenaamd was Justus, en Matthias.
24 En zij baden en zeiden: Gij Heere! Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, dien Gij uitverkoren hebt;
25 Om te ontvangen het lot dezer bediening en des apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats.









