Home Bijbel dagelijks Oude Testament 05 Deuteronomium Deuteronomium 32: Mozes’ lied van waarschuwing en hoop

Deuteronomium 32: Mozes’ lied van waarschuwing en hoop

0
1457
Streetart-romantische afbeelding van Mozes die Gods lied zingt met de hemel boven hem, vol licht en wolken van oordeel en genade.
Mozes’ profetische lied over Gods trouw en Israëls strijd, verbeeld in streetart vol kleur, licht en beweging.

Deuteronomium 32 bevat het indrukwekkende lied van Mozes. Kort voor zijn dood roept Mozes het volk Israël op om aandachtig te luisteren naar de woorden die God hem heeft gegeven. Dit lied is meer dan poëzie: het is een profetisch en theologisch meesterwerk, vol wijsheid, waarschuwing en hoop. Mozes bezingt Gods trouw, Israëls ondankbaarheid, de gevolgen van ongehoorzaamheid én Gods uiteindelijke barmhartigheid.

Gods volmaakte karakter en begin van de geschiedenis

Mozes opent zijn lied met een oproep tot hemel en aarde om getuige te zijn van zijn woorden. Hij beschrijft God als een rots – standvastig, rechtvaardig, getrouw en zonder onrecht. Alles wat Hij doet is recht. Hiermee wordt Gods karakter als volmaakt neergezet tegenover de wisselvalligheid van de mens.

Israël daarentegen wordt beschuldigd van verdorvenheid. Mozes verwijt hen dat zij zich ondankbaar en verdraaid hebben gedragen tegenover hun Vader en Schepper. Ze hebben hun oorsprong vergeten, hoewel God hen als Zijn kinderen heeft opgevoed en geleid.

Mozes herinnert hen eraan hoe God hen heeft gevonden in de woestijn, hen heeft beschermd en als Zijn oogappel heeft bewaard. Als een arend die zijn jongen leert vliegen, zo heeft God Israël gedragen – met zorg, kracht en trouw.

De zonde van Israël en Gods reactie

Vanaf dit punt verandert de toon. Israël is vet, lui en hoogmoedig geworden. Ze hebben God, hun Rots, verlaten en zich overgegeven aan vreemde goden. In plaats van de God die hen gemaakt heeft te aanbidden, hebben ze afgoden geëerd – “demonen” die geen goden zijn, nieuwkomers die hun vaderen niet kenden.

Als gevolg hiervan wordt Gods toorn opgewekt. Hij besluit Zijn aangezicht te verbergen. Israël zal geconfronteerd worden met rampen, ziektes, oorlog, hongersnood en vernietiging. Dit zijn geen willekeurige straffen, maar directe gevolgen van het verlaten van God.

Gods oordeel is zwaar, maar het komt voort uit rechtvaardigheid en gekwetste liefde. Zijn bedoeling is dat Israël tot inkeer komt.

De paradox van Gods besluit: oordeel én barmhartigheid

Toch trekt God Zijn oordeel niet helemaal door. Hij overweegt Israël volledig te vernietigen, maar doet het niet omwille van Zijn Naam en vanwege de reactie van andere volken. God wil niet dat andere naties denken dat zij Israël uit eigen kracht hebben verslagen. Hij erkent dat Israël dom en onverstandig is geworden – een volk zonder inzicht – maar blijft trouw aan Zijn beloften.

God vergelijkt Israël met een wijnstok die verwilderd is en vruchten van bitterheid voortbrengt. Hun gedrag leidt tot oordeel, maar dat oordeel is niet het einde. God zal de vijanden van Israël ook oordelen: zij hebben Zijn volk misbruikt en moeten zelf rekenschap afleggen.

God neemt het op voor Zijn volk

In vers 36 wordt duidelijk dat God niet voor altijd toornig blijft. Hij zal Zijn volk troosten wanneer Hij ziet dat hun kracht verdwenen is en niemand hen helpt. Dan zal Hij hun vijanden bespotten: “Waar zijn nu hun goden?” God maakt duidelijk dat Hij alleen redt – er is geen god naast Hem.

Hij verwondt en geneest, doodt en maakt levend. Niemand kan uit Zijn hand redden. Deze verzen onderstrepen Gods absolute soevereiniteit. Hij is de enige ware God, en zijn oordeel is niet wraakzuchtig maar heilig en rechtvaardig.

Verlossing en oproep tot vreugde

God zal Zijn vijanden vergelden en verzoening brengen over Zijn land en volk. Deze verzoening is niet gebaseerd op Israëls verdiensten, maar op Gods liefdevolle trouw en belofte aan de aartsvaders. Het lied eindigt met een oproep aan de volken om zich te verheugen met Gods volk, omdat de rechtvaardige God Zich over hen ontfermt.

Mozes’ opdracht en het naderen van zijn dood

Na het lied spreekt Mozes opnieuw tot het volk. Hij benadrukt dat zij de woorden van dit lied ter harte moeten nemen, omdat het hun leven is. Deze woorden zijn geen loze poëzie – ze bepalen hun toekomst in het beloofde land.

God gebiedt Mozes daarna om de berg Nebo te beklimmen, waar hij het beloofde land zal zien, maar niet binnengaan. Mozes zal sterven op de berg, net als zijn broer Aäron. De reden: hun ongehoorzaamheid bij het water van Meriba.

Theologische reflectie

Deuteronomium 32 is een samenvatting van de theologie van het hele boek. Het benadrukt:

  • Gods volmaaktheid en trouw
  • Israëls ontrouw en rebellie
  • Gods rechtvaardige oordeel
  • Zijn uiteindelijke genade en verlossing

Het lied laat zien dat Gods relatie met Israël diep geworteld is in Zijn karakter en beloften. Hij blijft trouw, zelfs als Zijn volk ontrouw is. Zijn oordeel is scherp, maar zijn trouw en liefde zijn sterker dan de zonde van de mens.

Toepassing voor vandaag

Voor de gelovige vandaag is Deuteronomium 32 een oproep tot:

  • Het erkennen van Gods trouw en macht
  • Nederigheid en berouw over eigen fouten
  • Vertrouwen op Gods genade, zelfs na oordeel
  • Vreugde in verzoening en hoop op vernieuwing

De God die Israël droeg als een arend, draagt ook vandaag Zijn kinderen. Hij straft niet om te vernietigen, maar om tot verlossing te brengen.


Deuteronomium 32

1 Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.

2 Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.

3 Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!

4 Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.

5 Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.

6 Zult gij dit den HEERE vergelden, gij, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft?

7 Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.

8 Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal derkinderen Israels.

9 Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve.

10 Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.

11 Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;

12 Zo leidde hem de HEERE alleen, en er was geen vreemd god met hem.

13 Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots;

14 Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen, die in Bazan weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en hetdruivenbloed, reinen wijn, hebt gij gedronken.

15 Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, enversmaadde den Rotssteen zijns heils.

16 Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.

17 Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor dewelke uw vaders niet geschrikthebben.

18 Den Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld den God, Die u gebaard heeft.

19 Als het de HEERE zag, zo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen zijn zonen en zijn dochteren.

20 En Hij zeide: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hunlieder einde zal wezen; want zij zijn een gans verkeerd geslacht, kinderen, in welke geentrouw is.

21 Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen,die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.

22 Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in de onderste hel, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden der bergen in vlam zetten.

23 Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten.

24 Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden der beesten onder hen schikken, met vurig venijn vanslangen des stofs.

25 Van buiten zal het zwaard beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met den grijzen man.

26 Ik zeide: In alle hoeken zoude Ik hen verstrooien; Ik zoude hun gedachtenis van onder de mensen doen ophouden;

27 Ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hooggeweest; de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.

28 Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.

29 O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.

30 Hoe zoude een enige duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hunlieder Rotssteen hen verkocht, en de HEERE hen overgeleverd had?

31 Want hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde.

32 Want hun wijnstok is uit den wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bezien.

33 Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift.

34 Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?

35 Mijn is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten.

36 Want de HEERE zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene enverlatene niets is.

37 Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden; de rotssteen, op welken zij betrouwden?

38 Welker slachtofferen vet zij aten, welker drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij.

39 Ziet nu, dat Ik, Ik Die ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt!

40 Want Ik zal Mijn hand naar den hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid!

41 Indien Ik Mijn glinsterend zwaard wette, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenpartijen doen wederkeren, en Mijn hateren vergelden.

42 Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed des verslagenen en des gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken desvijands zijn.

43 Juicht, gij heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed Zijner knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen wederkeren, en verzoenen Zijn landen Zijn volk.

44 En Mozes kwam, en sprak al de woorden dezes lieds voor de oren des volks, hij en Hosea, de zoon van Nun.

45 Als nu Mozes geeindigd had al die woorden tot gans Israel te spreken;

46 Zo zeide hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik heden onder ulieden betuige, dat gij ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woordendezer wet.

47 Want dat is geen vergeefs woord voor ulieden; maar het is uw leven; en door ditzelve woord zult gij de dagen verlengen op het land, waar gij over de Jordaan naartoe gaat, om dat te erven.

48 Daarna sprak de HEERE tot Mozes, op dienzelfden dag, zeggende:

49 Klim op den berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaan, dat Ik den kinderen Israels tot eenbezitting geven zal;

50 En sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broeder Aaron stierf op den berg Hor, en werd tot zijn volkenvergaderd.

51 Omdat gijlieden u tegen Mij vergrepen hebt, in het midden der kinderen Israels, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat gij Mij niet geheiligd hebt inhet midden der kinderen Israels.

52 Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik den kinderen Israels geven zal.