Home Bijbel dagelijks Oude Testament 10 2 Samuël 2 Samuël 21: De Hongersnood en Gibeons Wraak

2 Samuël 21: De Hongersnood en Gibeons Wraak

0
1358
Streetart van David onder een hemel vol sterren, symbool van verzoening en trouw tijdens Israëls hongersnood.
David bidt om gerechtigheid na Sauls zonde; de hemel opent zich boven het verzoende volk.

2 Samuël 21 beschrijft een aangrijpend hoofdstuk in de regering van koning David, waarin God een langdurige hongersnood over Israël brengt als gevolg van het onrecht dat Saul de Gibeonieten had aangedaan. Dit hoofdstuk laat diepe lessen zien over gerechtigheid, verzoening en de trouw van God aan Zijn verbond. Het toont Davids rol als bemiddelaar tussen God en het volk, en openbaart de heilige ernst waarmee God zonden en beloften behandelt.

De Hongersnood in Israël (2 Samuël 21:1-2)

Het hoofdstuk begint met een driejarige hongersnood tijdens Davids regering. David zoekt het aangezicht van de HEERE om de oorzaak te begrijpen. De HEERE antwoordt dat de hongersnood komt “om Sauls wil en om zijn huis des bloeds, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft” (vers 1). De Gibeonieten waren een volk dat Israël in de dagen van Jozua met een eed had beloofd te sparen (Jozua 9). Saul had echter, in zijn ijver voor Israël en Juda, dit verbond geschonden en hun bloed vergoten. God toont hiermee dat Hij rechtvaardig is en beloften serieus neemt, ook die van eerdere generaties.

David zoekt verzoening (2 Samuël 21:3-6)

David vraagt de Gibeonieten wat hij kan doen om verzoening te brengen, zodat de vloek van het land wordt opgeheven. De Gibeonieten weigeren een financiële vergoeding of de dood van willekeurige Israëlieten. Zij eisen dat zeven zonen uit Sauls huis worden overgeleverd, “opdat wij hen ophangen voor de HEERE te Gibeá, van Saul, die de uitverkorene des HEEREN was” (vers 6).

David stemt toe, maar spaart Mefiboseth, de zoon van Jonathan, vanwege zijn eed aan hem (vgl. 1 Samuël 20:14-17). Zo wordt de trouw van David zichtbaar, ook tegenover zijn beloften.

De uitvoering van het oordeel (2 Samuël 21:7-9)

David levert zeven mannen over, zonen van Rizpa, de dochter van Aja, en vijf zonen van Merab (Sauls dochter). Zij worden aan de Gibeonieten overgegeven en opgehangen op de berg, in de eerste dagen van de oogst. Het is een tragisch beeld van hoe de zonde van één man vergaande gevolgen heeft voor zijn nageslacht. De rechtvaardigheid van God wordt voltrokken, maar ook de ernst van verbondsbreuk wordt benadrukt.

Rizpa’s trouw en verdriet (2 Samuël 21:10)

Rizpa, de moeder van twee van de opgehangen mannen, toont een ontroerende trouw. Ze spreidt een kleed uit op de rots en waakt dag en nacht over de lichamen, “van het begin van de oogst totdat de hemel water op hen liet regenen”. Ze weerde vogels en dieren af om de lichamen te beschermen. Haar liefde en volharding symboliseren het moederhart dat zelfs te midden van oordeel trouw blijft.

Deze daad raakt David diep en wordt een keerpunt in de verdere gebeurtenissen.

Davids eerherstel voor Saul en Jonathan (2 Samuël 21:11-14)

Wanneer David hoort van Rizpa’s trouw, laat hij de beenderen van Saul en Jonathan overbrengen uit Jabes in Gilead. Deze stad had hun lichamen destijds beschermd na de slag op Gilboa (1 Samuël 31:11-13). Hij laat de beenderen van Saul en Jonathan samen begraven met de beenderen van de zeven overgeleverde mannen in het graf van Kis, Sauls vader.

Na deze daad van eerherstel “werd God den lande verbeden” (vers 14). Dit betekent dat de hongersnood ophield — de verzoening was bereikt.

Hier zien we een prachtige balans tussen rechtvaardigheid en barmhartigheid. De zonde van Saul moest worden geboet, maar Davids nederige gehoorzaamheid en eerbied voor het verbond herstelden vrede tussen God en Israël.

Oorlogen tegen de Filistijnen (2 Samuël 21:15-22)

Het hoofdstuk besluit met een verslag van latere veldslagen tegen de Filistijnen. David en zijn mannen treffen opnieuw reuzen aan, afstammelingen van de Refaïeten (dezelfde reuzensoort als Goliath).

  • Vers 15-17: David raakt uitgeput in de strijd tegen Isbi-benob, een reus met een bronzen speer van 300 sikkelen, maar Abisai redt hem. Zijn mannen zweren dat David niet meer zelf in de strijd zal trekken om “de lamp van Israël” niet uit te doven.
  • Vers 18-22: Er volgen nog drie overwinningen door Davids helden over andere reuzen uit Gath. Elk van hen wordt overwonnen door Israëls strijders, wat Gods voortdurende bescherming en kracht over Zijn volk toont.

Deze verslagen dienen als een herinnering dat, hoewel David zwakker werd, Gods macht niet afnam. De HEERE zelf strijdt voor Israël en gebruikt zijn dienaren om de overwinning te brengen.

Theologische betekenis

2 Samuël 21 toont drie fundamentele waarheden over God:

1. God is rechtvaardig en trouw aan Zijn verbond

De hongersnood was geen toeval. God handelde rechtvaardig door het onrecht van Saul te openbaren. Zijn gerechtigheid is niet veranderlijk, en Zijn beloften blijven krachtig door alle generaties heen.

2. Verzoening brengt herstel

Davids optreden als bemiddelaar herinnert aan de rol van Christus, die als de ware Koning onze schuld droeg en vrede bracht tussen God en mensen (Romeinen 5:1). De hongersnood hield pas op nadat er recht was gedaan — een beeld van hoe verzoening de vloek wegneemt.

3. Geloof en trouw in beproeving

Rizpa’s waken bij de lijken van haar zonen getuigt van moed en volharding, zelfs in diepe rouw. Haar trouw bewoog David tot daden van eerherstel. Zo laat dit hoofdstuk zien dat persoonlijke trouw en geloof in tijden van verdriet invloed hebben op de geestelijke toestand van een volk.

Conclusie

2 Samuël 21 is een aangrijpend hoofdstuk over de rechtvaardigheid van God en de verantwoordelijkheid van mensen. Het leert dat zonde gevolgen heeft, maar ook dat God genadig is wanneer recht wordt gedaan. Davids gehoorzaamheid en Rizpa’s trouw tonen dat zelfs in tijden van oordeel geloof, eerbied en liefde het hart van God kunnen raken.

Uiteindelijk keert de vrede terug, en God verhoort het land. Zo blijft de HEERE trouw aan Zijn belofte: Hij herstelt wie Hem in waarheid zoeken.


2 Samuël 21

1 En er was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht des HEEREN. En de HEERE zeide: Het is om Saul en omdes bloedhuizes wil, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.

2 Toen riep de koning de Gibeonieten, en zeide tot hen: (De Gibeonieten nu waren niet van de kinderen Israels, maar van het overblijfsel der Amorieten; en dekinderen Israels hadden hun gezworen, maar Saul zocht hen te slaan in zijn ijver voor de kinderen van Israel en Juda.)

3 David dan zeide tot de Gibeonieten: Wat zal ik ulieden doen, en waarmede zal ik verzoenen, dat gij het erfdeel des HEEREN zegent?

4 Toen zeiden de Gibeonieten tot hem: Het is ons niet te doen om zilver en goud met Saul en met zijn huis; ook is het ons niet om iemand te doden in Israel. En hijzeide: Wat zegt gij dan, dat ik u doen zal?

5 En zij zeiden tot den koning: De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons gedacht heeft, dat wij zouden verdelgd worden, zonder te kunnen bestaan in enigelandpale van Israel;

6 Laat ons zeven mannen van zijn zonen gegeven worden, dat wij hen den HEERE ophangen te Gibea Sauls, o, gij verkorene des HEEREN! En de koning zeide:Ik zal hen geven.

7 Doch de koning verschoonde Mefiboseth, den zoon van Jonathan, den zoon van Saul, om den eed des HEEREN, die tussen hen was, tussen David en tussenJonathan, Sauls zoon.

8 Maar de koning nam de twee zonen van Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; daartoe de vijf zonen van Michals zuster,Sauls dochter, die zij Adriel, den zoon van Barzillai, den Meholathiet, gebaard had;

9 En hij gaf hen in de hand der Gibeonieten, die ze ophingen op den berg voor het aangezicht des HEEREN; en die zeven vielen tegelijk; en zij werden gedood inde dagen van den oogst, in de eerste dagen, in het begin van den gersteoogst.

10 Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een zak, en spande dien voor zich uit op een rotssteen, van het begin van den oogst, totdat er water op hen drupte vanden hemel; en zij liet het gevogelte des hemels op hen niet rusten des daags, noch het gedierte van het veld des nachts.

11 En het werd David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijwijf, gedaan had.

12 Zo ging David henen, en nam de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon, van de burgeren van Jabes in Gilead, die dezelve gestolenhadden van de straat Beth-San, alwaar de Filistijnen ze hadden opgehangen, ten dage als de Filistijnen Saul sloegen op Gilboa.

13 En hij bracht van daar op de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon; ook verzamelden zij de beenderen der gehangenen.

14 En zij begroeven de beenderen van Saul en zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin te Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles, wat de koninggeboden had. Alzo werd God na dezen den lande verbeden.

15 Voorts hadden de Filistijnen nog een krijg tegen Israel. En David toog af, en zijn knechten met hem, en streden tegen de Filistijnen, dat David moede werd.

16 En Isbi Benob, die van de kinderen van Rafa was, en het gewicht zijner spies driehonderd gewicht kopers, en hij was aangegord met een nieuw zwaard; dezedacht David te slaan.

17 Maar Abisai, de zoon van Zeruja, hielp hem, en sloeg den Filistijn, en doodde hem. Toen zwoeren hem de mannen van David, zeggende: Gij zult niet meer metons uittrekken ten strijde, opdat gij de lamp van Israel niet uitblust.

18 En het geschiedde daarna, dat er wederom een krijg was te Gob tegen de Filistijnen. Toen sloeg Sibbechai, de Husathiet, Saf, die van de kinderen van Rafawas.

19 Voorts was er nog een krijg te Gob tegen de Filistijnen; en Elhanan, de zoon van Jaare-Oregim, sloeg Beth-Halachmi, dewelke was met Goliath, den Gethiet,wiens spiesenhout was als een weversboom.

20 Nog was er ook een krijg te Gath; en er was een zeer lang man, die zes vingeren had aan zijn handen, en zes tenen aan zijn voeten, vier en twintig in getal, endeze was ook aan Rafa geboren.

21 En hij hoonde Israel; maar Jonathan, de zoon van Simea, Davids broeder, sloeg hem.

22 Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand zijner knechten.