
In 2 Kronieken 20 staat hoe koning Josafat en Juda geconfronteerd worden met een overweldigende vijandelijke coalitie. Het volk ziet geen uitweg en zoekt steun bij de HEERE. Zij vasten, bidden en verwachten een antwoord dat alleen God kan geven. In deze noodsituatie toont de HEERE Zijn trouw door een overwinning te schenken die niet door menselijke kracht wordt bewerkt.
2 Kronieken 20 laat zien hoe vertrouwen, aanbidding en gehoorzaamheid samenkomen wanneer Juda de HEERE zoekt. De strijd wordt uiteindelijk niet door mensen gewonnen maar door Gods ingrijpen. De gebeurtenis benadrukt de kracht van afhankelijkheid en de vrede die ontstaat wanneer mensen hun blik richten op de HEERE.
De dreiging van Moab, Ammon en Seïr
De naderende vijand
Na een periode van rust ontvangt Josafat het bericht dat een grote menigte van de Moabieten, Ammonieten en bewoners van Seïr optrekt tegen Juda (2 Kronieken 20:1-2). De omvang van het leger maakt duidelijk dat Juda in eigen kracht niet kan standhouden. De nabijheid van de vijand brengt het volk in diepe ontzetting. Daarom wendt Josafat zich tot de HEERE, waarmee hij laat zien dat geestelijke leiding voorrang heeft boven militaire strategie (2 Kronieken 20:3).
Vasten in het hele land
Josafat kondigt een vasten af zodat heel Juda één wordt in afhankelijkheid. Mensen uit alle steden komen naar Jeruzalem om gezamenlijk de HEERE te zoeken (2 Kronieken 20:4). De eenheid van het volk versterkt het besef dat alleen de HEERE hun Helper is. Vasten maakt de nood tastbaar en benadrukt dat de strijd alleen gewonnen kan worden door Gods ingrijpen, niet door menselijke middelen.
Het gebed van koning Josafat
Herinnering aan Gods majesteit
Josafat gaat in het huis van de HEERE staan en bidt voor het volk (2 Kronieken 20:5). Hij herinnert de HEERE aan Zijn macht, Zijn heerschappij over alle volken en Zijn eerdere daden voor Israël. Door Gods grootheid te erkennen, legt hij de basis voor geloof en vertrouwen. Hij spreekt over Gods beloften en over de tempel waar de HEERE Zijn Naam wil laten wonen wanneer het volk Hem aanroept in tijden van nood (2 Kronieken 20:6-9).
Machteloosheid en vertrouwen
Het gebed bereikt een hoogtepunt wanneer Josafat zegt: Wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze ogen zijn op U (2 Kronieken 20:12). Deze zin weerspiegelt het hart van het hoofdstuk: volledige afhankelijkheid van God. De vijand is te sterk, maar het volk richt zich op de HEERE als de enige bron van redding. Juda kiest ervoor te wachten, te luisteren en te vertrouwen.
Gods antwoord door Jahaziël
De Geest van de HEERE spreekt
Terwijl het volk in stilte staat, komt de Geest van de HEERE op Jahaziël, een Leviet uit de zonen van Asaf (2 Kronieken 20:14). Hij spreekt woorden die alle angst wegnemen: Vreest niet, want deze strijd is niet voor u, maar voor God (2 Kronieken 20:15). De boodschap maakt duidelijk dat Juda wel moet optrekken, maar niet hoeft te strijden. De overwinning staat bij voorbaat vast door Gods aanwezigheid.
De aanwijzing van de HEERE
Jahaziël noemt precies waar de vijand te vinden zal zijn, bij de opgang van Ziz in de woestijn van Jeruel (2 Kronieken 20:16). Juda moet gaan staan en toezien hoe de HEERE redding geeft (2 Kronieken 20:17). Deze woorden brengen diepe rust over het volk. Zij buigen zich neer in aanbidding, terwijl de Levieten met luide stem de HEERE prijzen voor Zijn belofte.
Juda trekt uit om de HEERE te vertrouwen
Aanbidding als wapen
De volgende ochtend trekt Juda de vijand tegemoet. Josafat moedigt het volk aan te geloven in de HEERE en Zijn profeten (2 Kronieken 20:20). Hij stelt zangers aan die voor het leger uitgaan en zingen: Looft den HEERE, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid (2 Kronieken 20:21). De lofprijzing vooraan laat zien dat Juda niet strijdt met wapens, maar met vertrouwen op God.
Gods ingrijpen in de strijd
Terwijl zij zingen, brengt de HEERE verwarring onder de vijandige legers. De Moabieten en Ammonieten keren zich tegen de inwoners van Seïr, waarna zij elkaar vernietigen (2 Kronieken 20:22-23). Wanneer Juda de uitkijk bereikt, zien zij dat de hele vijandelijke macht is gevallen. Geen enkele vijand is overgebleven. De HEERE heeft de overwinning zelf bewerkt, precies zoals beloofd.
De vallei van Beracha en de terugkeer
Drie dagen lang buit verzamelen
Juda trekt naar de vallei waar de vijand lag en vindt overvloedige buit: rijkdommen, kostbaarheden en kleding in grote hoeveelheid (2 Kronieken 20:25). Zij doen drie dagen over het verzamelen van alles, zó groot is de overvloed. De plaats krijgt de naam Beracha, wat zegen betekent, omdat daar Gods weldaad tastbaar zichtbaar werd.
De intocht in Jeruzalem
Na het verzamelen keert Juda terug naar Jeruzalem met vreugde. Muziekinstrumenten begeleiden de dankbare intocht in de stad en de tempel (2 Kronieken 20:27-28). De HEERE heeft Juda rust gegeven van de vijanden, en de volken rondom krijgen ontzag voor Gods macht (2 Kronieken 20:29-30). Deze rust bevestigt de trouw van de HEERE en de zegen die volgt wanneer een volk Hem volledig zoekt.
Conclusie
2 Kronieken 20 laat zien hoe een volk dat zichzelf machteloos weet, kracht ontvangt door afhankelijkheid van de HEERE. Door vasten, gebed en lofprijzing wordt het hart gericht op God, en Zijn antwoord brengt redding die verder gaat dan menselijke verwachting. Juda leert dat de strijd van de HEERE is en dat echte overwinning voortkomt uit geloof en gehoorzaamheid.
Laatst bijgewerkt op 29-11-2025
2 Kronieken 20
1 Het geschiedde nu na dezen, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en het hen anderen benevens de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde.
2 Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde der zee, uit Syrie, en zie, zij zijn te Hazezon-Thamar,hetwelk is Engedi.
3 Josafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om den HEERE te zoeken; en hij riep een vasten uit in gans Juda.
4 En Juda werd vergaderd, om van den HEERE hulp te zoeken; ook kwamen zij uit alle steden van Juda, om den HEERE te zoeken.
5 En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis des HEEREN, voor het nieuwe voorhof.
6 En hij zeide: O, HEERE, God onzer vaderen, zijt Gij niet de God in den hemel? Ja, Gij zijt de Heerser over alle koninkrijken der heidenen; en in Uw hand is kracht ensterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan.
7 Hebt Gij niet, onze God, de inwoners dezes lands van voor het aangezicht van Uw volk Israel verdreven, en dat aan het zaad van Abraham, Uw liefhebber, tot ineeuwigheid gegeven?
8 Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben U daarin een heiligdom gebouwd voor Uw Naam, zeggende:
9 Indien over ons enig kwaad komt, het zwaard des oordeels, of pestilentie, of honger, wij zullen voor dit huis, en voor Uw aangezicht staan, dewijl Uw Naam in dithuis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en Gij zult verhoren en verlossen.
10 En nu, zie de kinderen Ammons, en Moab, en die van het gebergte Seir, door dewelken Gij Israel niet toeliet te trekken, als zij uit Egypteland togen, maar zij wekenvan hen, en verdelgden hen niet;
11 Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die Gij ons te erven gegeven hebt, te verdrijven.
12 O, onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen;maar onze ogen zijn op U.
13 En gans Juda stond voor het aangezicht des HEEREN, ook hun kinderkens, hun vrouwen en hun zonen.
14 Toen kwam de Geest des HEEREN in het midden der gemeente, op Jahaziel, den zoon van Zecharja, den zoon van Benaja, den zoon van Jehiel, den zoon vanMatthanja, den Leviet, uit de zonen van Asaf;
15 En hij zeide: Merkt op, geheel Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem, en gij, koning Josafat! Alzo zegt de HEERE tot ulieden: Vreest gijlieden niet, en wordt nietontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd is niet uwe, maar Gods.
16 Trekt morgen tot hen af; ziet, zij komen op bij den opgang van Ziz; en gij zult hen vinden in het einde des dals, voor aan de woestijn van Jeruel.
17 Gij zult in dezen strijd niet te strijden hebben; stelt uzelven, staat en ziet het heil des HEEREN met u, o Juda en Jeruzalem! Vreest niet, en ontzet u niet, gaatmorgen uit, hun tegen, want de HEERE zal met u wezen.
18 Toen neigde zich Josafat met het aangezicht ter aarde; en gans Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezicht des HEEREN, aanbiddendeden HEERE.
19 En de Levieten uit de kinderen der Kahathieten, en uit de kinderen der Korahieten, stonden op, om den HEERE, den God Israels, met luider stem ten hoogste teprijzen.
20 En zij maakten zich des morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekoa; en als zij uittogen, stond Josafat en zeide: Hoort mij, o Juda, en gij, inwonersvan Jeruzalem! Gelooft in den HEERE, uw God, zo zult gij bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten, en gij zult voorspoedig zijn.
21 Hij nu beraadslaagde zich met het volk, en hij stelde den HEERE zangers, die de heilige Majesteit prijzen zouden, voor de toegerusten uitgaande en zeggende: Looftden HEERE, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid!
22 Ter tijd nu, als aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde de HEERE achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seir, dietegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen.
23 Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seir, om te verbannen en te verdelgen; en als zij met de inwoners van Seir eeneinde gemaakt hadden, hielpen zij de een den ander ten verderve.
24 Als nu Juda tot den wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en ziet, het waren dode lichamen, liggende op de aarde, en niemandwas ontkomen.
25 Josafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel have en dode lichamen, als kostelijk gereedschap, en namen voor zichweg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden den buit drie dagen, want dies was veel.
26 En op den vierden dag vergaderden zij zich in het dal van Beracha, want daar loofden zij den HEERE; daarom noemden zij den naam dierzelver plaats het dal vanBeracha, tot op dezen dag.
27 Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weder, en Josafat in de voorspitse van hen, om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want deHEERE had hen verblijd over hun vijanden.
28 En zij kwamen te Jeruzalem, met luiten, en met harpen, en met trompetten, tot het huis des HEEREN.
29 En er werd een verschrikking Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden, dat de HEERE tegen de vijanden van Israel gestreden had.
30 Alzo was het koninkrijk van Josafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom henen.
31 Zo regeerde Josafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder wasAzuba, een dochter van Silhi.
32 En hij wandelde in den weg van zijn vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.
33 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot den God zijner vaderen.
34 Het overige nu der geschiedenissen van Josafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, den zoon van Hanani, die men hemoptekenen deed in het boek der koningen van Israel.
35 Doch na dezen vergezelschapte zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, den koning van Israel; die handelde goddelooslijk in zijn doen.
36 En hij vergezelschapte zich met hem, om schepen te maken, om naar Tharsis te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeon-Geber.
37 Maar Eliezer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft de HEERE uw werkenverscheurd. Alzo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan. 2 Kronieken 21








