2 Koningen 23 is een diepgaand en belangrijk hoofdstuk dat vertelt over koning Josia’s geestelijke hervorming in Juda. Het hoofdstuk beschrijft hoe hij het volk terugbrengt naar de wet van God nadat het wetboek in de tempel werd herontdekt. Deze herleving markeert een bijzonder moment in de geschiedenis van Israël: de hernieuwing van het verbond met de HEERE en een rigoureuze zuivering van alle afgoderij in het land. Josia’s oprechte ijver voor de HEERE contrasteert scherp met het oordeel dat onafwendbaar is geworden vanwege het langdurige kwaad van voorgaande koningen.
Het hernieuwen van het verbond
Het voorlezen van het wetboek
Koning Josia laat alle oudsten van Juda en Jeruzalem verzamelen. Vervolgens gaat hij naar het huis des HEEREN met alle mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem, de priesters, profeten en heel het volk, van klein tot groot. Daar laat hij hun het boek van het verbond voorlezen, dat in de tempel is gevonden (vers 1-2).
De verbondssluiting
Na het horen van de woorden van het boek sluit Josia in de tegenwoordigheid van de HEERE een verbond: hij belooft met heel zijn hart en ziel te wandelen in de wegen van de HEERE, Zijn geboden, getuigenissen en inzettingen te onderhouden, om het woord van dit verbond te bevestigen. Ook heel het volk stemt met het verbond in (vers 3).
De religieuze hervorming van Josia
Het verwijderen van afgoderij
Josia begint vervolgens aan een grondige hervorming. Hij verwijdert uit de tempel alle voorwerpen die voor de Baäl, de Asjera en het hemelse leger gemaakt zijn. Deze laat hij buiten Jeruzalem verbranden (vers 4). De priesters die deze afgoden hadden gediend, worden afgezet. Hij verbrandt het beeltenis van Asjera, reinigt het huis des HEEREN en breekt de woningen van de schandjongens af, die zich zelfs in het huis van God bevonden (vers 5-7).
Het zuiveren van Juda en Israël
Josia beperkt zich niet tot Jeruzalem. Hij breekt de hoogteplaatsen af die in de steden van Juda zijn en ook in Samaria (vers 8-20). Zelfs het altaar in Bethel – dat eeuwen eerder door Jerobeam was opgericht – wordt vernietigd. Hij vervult daarmee de oude profetie dat dit altaar door een man uit het huis van David zou worden verontreinigd (vers 15-16).
De herinvoering van het Pascha
Josia geeft opdracht om het Pascha te houden, zoals geschreven staat in het boek van het verbond (vers 21). Er wordt opgemerkt dat sinds de dagen van de richters, en in de tijd van de koningen van Israël en Juda, zo’n Pascha nooit op deze wijze is gevierd als nu, onder Josia (vers 22-23). Deze viering is bijzonder omdat zij teruggaat naar het zuivere begin van Gods omgang met Zijn volk, gebaseerd op het verbond.
Het oordeel blijft echter
De HEERE keert Zich niet van Zijn grote toorn
Ondanks Josia’s radicale hervormingen en het oprechte herstel van de ware godsdienst, keert de HEERE Zich niet af van Zijn grote toorn. Juda heeft zich namelijk onder Josia’s grootvader Manasse ernstig verontreinigd met afgoderij en bloedvergieten. Dit kwaad is zo diepgeworteld dat het oordeel onafwendbaar is geworden (vers 26-27).
De dood van Josia
Josia sneuvelt in de strijd
Josia sterft uiteindelijk in een veldslag bij Megiddo, waar hij door farao Necho wordt gedood (vers 29). Hij wordt naar Jeruzalem gebracht en begraven in zijn graf. Het volk maakt vervolgens Joahaz tot koning, Josia’s zoon (vers 30).
Het verval na Josia
Joahaz en Jojakim
Na Josia’s dood keert het volk snel terug naar het kwaad. Joahaz regeert slechts drie maanden; farao Necho zet hem af en stelt Jojakim aan als koning (vers 31-34). Jojakim doet wat kwaad is in de ogen des HEEREN, net als zijn voorvaders (vers 37). De hervorming onder Josia blijkt van korte duur; de geestelijke terugval van het volk bevestigt Gods besluit tot oordeel over Juda.
Theologische betekenis
2 Koningen 23 toont dat ware hervorming mogelijk is, maar ook dat uiterlijke hervorming zonder innerlijke bekering van het hele volk niet voldoende is om het oordeel af te wenden. Josia’s leven is een voorbeeld van oprechte toewijding aan de HEERE. Hij is een hersteller van het verbond, een reformator die niet buigt voor religieuze of politieke druk. Toch blijft het oordeel over Juda staan: gerechtigheid en heiligheid eisen dat zonde gestraft wordt.
Conclusie
2 Koningen 23 is het hoogtepunt van Josia’s heerschappij. Zijn geestelijke moed, zijn gehoorzaamheid aan het woord van God, en zijn toewijding aan het zuiveren van het land, tonen een diep respect voor de HEERE. Maar het hoofdstuk laat ons ook zien hoe diep de zonde van een volk kan ingrijpen, en dat hervorming niet alleen door leiderschap, maar door hartverandering bij het hele volk gedragen moet worden.
2 Koningen 23
1 Toen zond de koning henen, en tot hem verzamelden al de oudsten van Juda en Jeruzalem.
2 En de koning ging op in het huis des HEEREN, en met hem alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de profeten, en al het volk, van den minste tot denmeeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.
3 De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen,en Zijn inzettingen met ganser harte en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het ganse volkstond in dit verbond.
4 En de koning gebood den hogepriester Hilkia, en den priesteren der tweede ordening, en den dorpelbewaarders, dat zij uit den tempel des HEEREN allegereedschap, dat voor Baal, en voor het beeld van het bos, en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalemin de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-El dragen.
5 Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem,mitsgaders, die voor Baal, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het heir des hemels rookten.
6 Hij bracht ook het beeld van het bos uit het huis des HEEREN weg, buiten Jeruzalem, tot de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde hettot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven der kinderen des volks.
7 Daartoe brak hij de huizen der schandjongens af, die aan het huis des HEEREN waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bos weefden.
8 En hij bracht al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-seba toe; en hij brak dehoogten der poort van Jozua, den overste der stad, was, welke aan iemands linkerhand was, in de stadspoort gaande.
9 Doch de priesters der hoogten offerden niet op het altaar des HEEREN te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broederen.
10 Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal der kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor den Molech door het vuur deed gaan.
11 En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van den ingang van het huis des HEEREN, tot de kamer van Nathan-Melech,den hoveling, die in Parvarim was; en de wagenen der zon verbrandde hij met vuur.
12 Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, die Manasse in de tweevoorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.
13 De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israel, voor Astoreth, het verfoeiselder Sidoniers, en voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, en voor Milchom, den gruwel der kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
14 Insgelijks brak hij de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij vervulde hun plaats met mensenbeenderen.
15 Daartoe ook het altaar, dat te Beth-El was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, dewelke Israel zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en diehoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos.
16 En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op den berg waren, en zond henen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, enverontreinigde dat; naar het woord des HEEREN, dat de man Gods uitgeroepen had, die deze woorden uitriep.
17 Verder zeide hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de lieden der stad zeiden tot hem: Het is het graf van den man Gods, die uit Juda kwam, en dezedingen, die gij tegen dit altaar van Beth-El gedaan hebt, uitgeroepen heeft.
18 En hij zeide: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van den profeet, die uit Samaria gekomenwas.
19 Daartoe nam Josia ook weg al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israel gemaakt hadden, om den HEERE tot toorn teverwekken; en hij deed dezelve naar al de daden, die hij te Beth-El gedaan had.
20 En hij slachtte al de priesteren der hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op dezelve. Daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.
21 En de koning gebood het ganse volk, zeggende: Houdt den HEERE, uw God, pascha, gelijk in dit boek des verbonds geschreven is.
22 Want gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen der richteren af, die Israel gericht hadden, noch in al de dagen der koningen van Israel, noch derkoningen van Juda.
23 Maar in het achttiende jaar van den koning Josia, werd dit pascha den HEERE te Jeruzalem gehouden.
24 En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalemgezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis des HEEREN gevonden had.
25 En voor hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot den HEERE, met zijn ganse hart, en met zijn ganse ziel, en met zijn ganse kracht, naar al de wet van Mozes,bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op.
26 Nochtans keerde zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af, waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmede Manasse Hemgetergd had.
27 En de HEERE zeide: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israel weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkorenheb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen.
28 Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
29 In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen den koning van Assyrie, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij dooddehem te Megiddo, als hij hem gezien had.
30 En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Joahaz,den zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijns vaders plaats.
31 Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal, de dochter vanJeremia, van Libna.
32 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden.
33 Doch Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talentenzilvers en een talent gouds.
34 Ook maakte Farao Necho Eljakim, den zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mede, enhij kwam in Egypte, en stierf aldaar.
35 En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij hetzilver en goud af van het volk des lands, om aan Farao Necho te geven.
36 Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja,van Ruma.
37 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden.









