Home Bijbel dagelijks Oude Testament 12 2 Koningen 2 Koningen 22: Koning Josia en het gevonden wetboek

2 Koningen 22: Koning Josia en het gevonden wetboek

0
1233
Koning Josia leest het gevonden wetboek in de tempel, omringd door priesters, in warm licht en bijbelse sfeer.
Koning Josia ontdekt het wetboek in de tempel, een moment van geestelijke vernieuwing en terugkeer tot Gods Woord.

2 Koningen 22 vertelt het indrukwekkende begin van de geestelijke vernieuwing onder koning Josia van Juda. Deze jonge koning, slechts acht jaar oud toen hij regeerde, ontdekte later in zijn leven het wetboek van de Heere in de tempel. Die vondst leidde tot een nationale bekering en herstel van ware aanbidding. Dit hoofdstuk is een krachtig getuigenis van gehoorzaamheid, berouw en het verlangen om het volk terug te brengen tot het verbond met God.

Josia’s jeugd en zijn rechtvaardige koningschap

Josia, de zoon van Amon, begon te regeren toen hij acht jaar oud was en regeerde eenendertig jaar in Jeruzalem (2 Koningen 22:1). Zijn moeder heette Jedida, de dochter van Adaja uit Bozkath. De Schrift prijst hem als een koning die “deed wat recht was in de ogen des HEEREN” (vers 2). Hij volgde het voorbeeld van zijn vader David en week niet af ter rechter- noch ter linkerhand. Josia’s karakter toont dat ware gehoorzaamheid niet afhangt van leeftijd, maar van een hart dat gericht is op God.

De herstelling van de tempel

In het achttiende jaar van zijn regering besloot Josia om het huis des HEEREN te laten herstellen (vers 3-6). Hij stuurde Safan, de schrijver, naar de hogepriester Hilkia om toezicht te houden op de tempelgelden. Dit geld was ingezameld door de wachters van de dorpel, en het moest worden gebruikt om de breuken van het huis te herstellen. De metselaars, timmerlieden en bouwlieden kregen de middelen om hun werk te doen. Opmerkelijk is dat er geen rekenschap werd geëist van de werklieden, “want zij handelden trouwelijk” (vers 7). Deze zeldzame notitie van vertrouwen onderstreept de zuivere geest van deze hervorming.

De vondst van het wetboek

Tijdens deze werkzaamheden vond Hilkia, de hogepriester, een boek in het huis des HEEREN (vers 8). Hij zei tegen Safan: “Ik heb het wetboek in het huis des HEEREN gevonden.” Safan las het boek en bracht het vervolgens naar de koning. Toen de woorden van de wet voor Josia werden gelezen (vers 10), werd hij diep getroffen.

De ontroering van de koning

Toen Josia de woorden van het wetboek hoorde, scheurde hij zijn klederen (vers 11). Dit gebaar was een teken van diepe rouw en bekering. Hij begreep dat Juda zwaar gezondigd had door af te wijken van Gods geboden. De koning besefte dat de toorn des HEEREN over het volk was ontstoken omdat hun vaderen niet hadden gehandeld naar hetgeen geschreven stond in dit boek (vers 13).

De zoektocht naar profetische raad

Josia zond een gezantschap bestaande uit Hilkia, Ahikam, Achbor, Safan en Asaja om de Heere te raadplegen over de woorden van het boek (vers 14). Zij gingen naar de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Harhas, die de klederbewaker was. Hulda woonde in het tweede deel van Jeruzalem.

De boodschap van de profetes Hulda

De profetes Hulda sprak namens de Heere tot hen (vers 15-17). Ze verklaarde dat er rampen zouden komen over Juda en Jeruzalem, omdat zij de Heere hadden verlaten en andere goden hadden gediend. Gods toorn zou ontbranden en niet uitgeblust worden. Toch sprak zij ook een persoonlijke boodschap tot Josia (vers 18-20): omdat zijn hart week was en hij zich voor de Heere had vernederd, zou hij in vrede sterven en niet de ellende zien die over Juda zou komen.

De geestelijke betekenis van Josia’s bekering

Het handelen van Josia toont de ware houding van een gelovige tegenover Gods Woord. Wanneer de Schrift spreekt, wordt het hart doorboord en roept het tot bekering. Josia’s reactie was niet oppervlakkig, maar kwam voort uit eerbied en ontzag voor de Heere. Hij erkende dat de zonde niet ongestraft blijft, maar dat Gods genade zichtbaar wordt in nederigheid en gehoorzaamheid.

De kracht van Gods Woord

Het gevonden wetboek was waarschijnlijk een gedeelte van Deuteronomium, waarin Gods geboden, waarschuwingen en beloften aan Israël staan. Dit herinnert eraan dat het Woord van God nooit zijn kracht verliest, ook niet wanneer het lange tijd vergeten is. Zodra het opnieuw gelezen wordt, brengt het licht, overtuiging en herstel. Josia’s tijd bewijst dat geestelijke vernieuwing altijd begint met het herstel van de Schrift in het midden van Gods volk.

Josia’s voorbeeld voor gelovigen vandaag

De geschiedenis van Josia leert ons dat gehoorzaamheid aan God niet afhankelijk is van afkomst of leeftijd, maar van een gewillig hart. Zijn voorbeeld nodigt uit tot persoonlijke bezinning: leven wij naar Gods Woord, of zijn wij het uit het oog verloren? Net als Juda hebben wij allen momenten van herstel nodig. Door het Woord opnieuw te openen, kunnen ook wij vernieuwd worden in geloof en gehoorzaamheid.

De theologische betekenis

2 Koningen 22 markeert een kantelpunt in Juda’s geschiedenis. Het laat zien dat Gods verbond niet vergeten kan worden zonder gevolgen. Toch blijft Gods barmhartigheid beschikbaar voor wie zich verootmoedigt. De ontdekking van het wetboek herinnert aan de eeuwige betrouwbaarheid van de Schrift en aan de noodzaak van geestelijke reiniging. Josia’s bekering en hervorming waren niet slechts politieke maatregelen, maar een hernieuwde toewijding aan de levende God.

Samenvattend

2 Koningen 22 is een hoofdstuk van ontdekking, bekering en vernieuwing. Josia vond Gods wet opnieuw en liet het volk zien dat gehoorzaamheid aan de Heere de weg tot zegen is. Zijn ootmoedige hart bewoog God tot ontferming, ondanks het oordeel dat naderde. Zo leert dit hoofdstuk ons dat waar Gods Woord weer centraal staat, er altijd hoop is op herstel en vrede met Hem.


2 Koningen 22

1 Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jedida, een dochter van Adaja, vanBozkath.

2 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; en hij wandelde in al den weg van zijn vader David, en week niet af ter rechterhand noch ter linkerhand.

3 Het geschiedde nu in het achttiende jaar van den koning Josia, dat de koning den schrijver Safan, den zoon van Azalia, den zoon van Mesullam, zond in het huis desHEEREN, zeggende:

4 Ga op tot Hilkia, den hogepriester, opdat hij het geld opsomme, dat in het huis des HEEREN gebracht is, hetwelk de wachters des dorpels van het volk verzameldhebben;

5 En dat zij dat geven in de hand der verzorgers van het werk, die besteld zijn over het huis des HEEREN; opdat zij het geven aan degenen, die het werk doen, dat inhet huis des HEEREN is, om de breuken van het huis te beteren;

6 Aan de timmerlieden en de bouwlieden, en de metselaars, en om hout en gehouwene stenen te kopen, om het huis te beteren.

7 Doch er werd met hen geen rekening gehouden van het geld, dat in hun hand geleverd was, want zij handelden trouwelijk.

8 Toen zeide de hogepriester Hilkia tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek in het huis des HEEREN gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het.

9 Daarna kwam Safan, de schrijver, tot den koning, en bracht den koning bescheid weder, en hij zeide: Uw knechten hebben het geld, dat in het huis gevonden was,samengebracht, en hebben het gegeven in de hand der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN.

10 Ook gaf Safan, de schrijver, den koning te kennen, zeggende: De priester Hilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las dat voor het aangezicht des konings.

11 Het geschiedde nu, als de koning de woorden des wetboeks hoorde, dat hij zijn klederen scheurde.

12 En de koning gebood Hilkia, den priester, en Ahikam, den zoon van Safan, en Achbor, den zoon van Michaja, en Safan, den schrijver, en Asaja, den knecht deskonings, zeggende:

13 Gaat henen, vraagt den HEERE voor mij, en voor het volk, en voor het ganse Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid desHEEREN is groot, dewelke tegen ons aangestoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden dezes boeks, om te doen naar al wat voor onsgeschreven is.

14 Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja henen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tikva, den zoon vanHarhas, den klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar.

15 En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Zegt tot den man, die u tot mij gezonden heeft:

16 Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats brengen, en voer haar inwoners, namelijk al de woorden des boeks, dat de koning van Juda gelezen heeft.

17 Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al het werk hunner handen, zo zal Mijn grimmigheidaangestoken worden, tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.

18 Maar tot den koning van Juda, die u gezonden heeft, om den HEERE te vragen, alzo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Aangaande dewoorden, die gij gehoord hebt;

19 Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des HEEREN vernederd hebt, als gij hoordet, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelverinwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord,spreekt de HEERE.

20 Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over dezeplaats brengen zal. En zij brachten den koning het antwoord weder.