
1 Samuël 28 is één van de meest aangrijpende hoofdstukken in het Oude Testament. Het beschrijft het tragische moment waarop koning Saul, verlaten door God, in wanhoop een verboden weg kiest: hij raadpleegt een waarzegster om de overleden profeet Samuël te spreken. Dit hoofdstuk laat zien hoe ver Saul van God verwijderd is geraakt en hoe duister het wordt wanneer de mens niet langer naar Gods stem luistert. Het is een krachtige les over gehoorzaamheid, vertrouwen en het gevaar van ongehoorzaamheid aan de levende God.
De stilte van de hemel (verzen 1–6)
Het hoofdstuk opent met de voortdurende strijd tussen Israël en de Filistijnen. David verblijft intussen in het Filistijnse gebied, terwijl Saul zijn leger verzamelt in Gilboa. Saul’s grootste angst wordt werkelijkheid: de vijand staat voor de deur, maar de HEERE antwoordt hem niet meer.
In vers 6 lezen we: “Toen vraagde Saul den HEERE, maar de HEERE antwoordde hem niet, noch door dromen, noch door de Urim, noch door de profeten.”
Deze stilte is veelzeggend. God had eerder tot Saul gesproken door Samuël, door tekenen, door overwinningen en zelfs door waarschuwingen, maar telkens had Saul zijn eigen weg gekozen. Nu, op het beslissende moment, hoort hij niets meer.
De stilte van de hemel is het zwaarste oordeel dat een mens kan ervaren. Wanneer de stem van God zwijgt, wordt de mens overgelaten aan zijn eigen keuzes. Saul, eens gezalfd door de HEERE, staat nu alleen. De profetische en priesterlijke middelen die God ingesteld had, bieden hem geen uitkomst meer.
Saul’s wanhoop en de verboden weg (verzen 7–10)
In zijn angst besluit Saul iets te doen wat hij zelf eerder verboden had. In vers 3 staat dat Saul “de waarzeggers en de waarzegsters uit het land had weggedaan”. Toch vraagt hij nu: “Zoekt mij een vrouw, die een waarzegster is, dat ik tot haar ga, en haar vraag.”
Zijn dienaren weten er direct één: een vrouw in Endor. Saul vermomt zich, doet zijn koninklijke gewaad af en gaat in de nacht naar haar toe – een beeld van zijn geestelijke toestand. De koning van Israël, die geroepen was om Gods wet te handhaven, sluipt nu in het donker om raad te vragen aan verboden machten.
De vrouw van Endor is bang, want ze weet dat Saul zulke praktijken had laten verbieden. Maar Saul zweert haar bij de HEERE dat ze niet gestraft zal worden. Ironisch genoeg zweert hij bij de naam van Degene die hij op dat moment ongehoorzaam is. Het toont de verwarring van een ziel die God wel noemt, maar niet meer kent.
De verschijning van Samuël (verzen 11–14)
De vrouw doet wat Saul vraagt: ze roept Samuël op. Tot haar verbijstering ziet ze werkelijk iets bovennatuurlijks. Ze roept luid uit: “Waarom hebt gij mij bedrogen? Gij zijt Saul!”
Ze beschrijft wat ze ziet: “Ik zie goden uit de aarde opkomen.” En vervolgens: “Een oud man komt op, en hij is met een mantel bedekt.” Saul begrijpt dat het Samuël is, en buigt zich met zijn aangezicht ter aarde.
De tekst laat ruimte voor mysterie: was het werkelijk Samuël die verscheen, of liet God toe dat Saul deze verschijning zag als teken van oordeel? De Bijbel zegt eenvoudig: “Samuël zeide tot Saul…” (vers 15). Hoe dan ook, het moment is schokkend. De dode profeet verschijnt niet om Saul te helpen, maar om Gods eerdere oordeel te bevestigen.
De boodschap van oordeel (verzen 15–19)
Samuël spreekt niet als een trooster, maar als een boodschapper van het oordeel. Hij zegt: “Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen?” Saul antwoordt wanhopig dat hij benauwd is en dat God hem niet antwoordt.
Samuël herinnert hem aan het woord dat al lang gesproken was: “De HEERE is van u geweken, en is uw vijand geworden.” (vers 16).
Hij herhaalt de reden: omdat Saul niet heeft gedaan wat de HEERE geboden had, toen hij Amalek moest verdelgen (1 Sam. 15). Het oordeel is nu onafwendbaar. De Filistijnen zullen overwinnen, en Saul zal met zijn zonen sterven. In vers 19 klinkt het hard: “Morgen zult gij en uw zonen bij mij zijn.”
De woorden van Samuël maken duidelijk dat Saul’s lot bezegeld is. Hij heeft geen vrede, geen hoop en geen toekomst meer. De man die ooit door God gezalfd werd, hoort nu dat hij samen met zijn zonen zal sterven. Wat een tragedie.
De val van Saul (verzen 20–25)
Na Samuëls woorden valt Saul ter aarde, “want hij vreesde zeer om de woorden van Samuël.” Hij heeft al de hele dag niet gegeten; zijn lichaam is zwak, maar zijn ziel nog zwakker.
De waarzegster, die hem net nog vreesde, toont nu medelijden. Ze bereidt hem eten – ongezuurd brood en een geslacht kalf – en dringt aan dat hij eet. Hij luistert, eet, en vertrekt in de nacht. Het beeld is donker en leeg: de koning zonder God, gevoed door een waarzegster, op weg naar zijn ondergang.
De volgende dag zal hij inderdaad sterven, zoals Samuël had gezegd (1 Sam. 31:4–6).
Theologische betekenis
1. De ernst van ongehoorzaamheid
Saul’s leven toont dat het negeren van Gods geboden niet slechts een vergissing is, maar een geleidelijke verharding van het hart. Zijn ongehoorzaamheid in eerdere hoofdstukken leidde tot geestelijke blindheid. Wie Gods stem negeert, hoort Hem uiteindelijk niet meer.
2. De stilte van God
Wanneer God zwijgt, is dat nooit willekeurig. In Saul’s geval was het een gevolg van voortdurende ongehoorzaamheid. Toch is die stilte niet voor iedereen een oordeel – voor wie zich verootmoedigt, is het een roep tot bekering. Saul echter zocht geen bekering, maar slechts een oplossing.
3. De grenzen van menselijke hulp
De waarzegster kon niets veranderen. Haar optreden toonde slechts de machteloosheid van menselijke en occulte middelen tegenover het oordeel van God. De Bijbel waarschuwt herhaaldelijk tegen het raadplegen van geesten (Deut. 18:10–12; Jes. 8:19). Alleen de HEERE is bron van leven en waarheid.
4. De contrasten met David
Terwijl Saul in de nacht ten onder gaat, zal David later zingen: “De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.” (Psalm 23:1). Waar Saul zijn vertrouwen verliest, vindt David zijn kracht in geloof. 1 Samuël 28 vormt zo een schaduw waartegen Gods genade des te helderder straalt.
Geestelijke les voor vandaag
1 Samuël 28 is meer dan geschiedenis – het is een spiegel voor ieder die zijn eigen weg gaat. De duisternis waarin Saul terechtkomt, toont wat er gebeurt wanneer de mens God verlaat. Toch roept dit hoofdstuk ons juist op om terug te keren.
Waar Saul het zwijgen van de hemel hoorde, mogen gelovigen vandaag weten dat er Eén is die bemiddelt tussen God en mensen: Jezus Christus. Hij brak de stilte van de dood en spreekt nog steeds tot wie Hem zoeken in geloof.
“Ziet, ik sta aan de deur en ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen en de deur open doen, Ik zal tot hem inkomen.” (Openbaring 3:20)
Laat het contrast tussen Saul en Christus ons tot nadenken brengen. Saul zocht een verboden stem in de nacht; Christus roept ons in het licht van genade. Wie Hem hoort, vindt leven.
Conclusie
1 Samuël 28 eindigt zonder hoop voor Saul, maar met een diepe waarschuwing voor de lezer. God is niet te bespotten, en Zijn stem mag niet genegeerd worden. Toch is er altijd genade voor wie zich verootmoedigt.
Het hoofdstuk leert dat ware wijsheid niet gevonden wordt bij mensen, geesten of voorspellingen, maar alleen in het Woord van de levende God. Wie Zijn stem hoort en gehoorzaamt, zal niet verdwalen in de nacht, maar wandelen in het licht van Zijn aangezicht.
1 Samuël 28
1 En het geschiedde in die dagen, als de Filistijnen hun legers vergaderden tot den strijd, om tegen Israel te strijden, zo zeide Achis tot David: Gij zult zekerlijkweten, dat gij met mij in het leger zult uittrekken, gij en uw mannen.
2 Toen zeide David tot Achis: Aldus zult gij weten, wat uw knecht doen zal. En Achis zeide tot David: Daarom zal ik u ten bewaarder mijns hoofds zetten, te allendage.
3 Samuel nu was gestorven, en gans Israel had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het landweggedaan de waarzeggers en duivelskunstenaars.
4 En de Filistijnen kwamen en vergaderden zich, en zij legerden zich te Sunem; en Saul vergaderde gans Israel, en zij legerden zich op Gilboa.
5 Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij, en zijn hart beefde zeer.
6 En Saul vraagde den HEERE; maar de HEERE antwoordde hem niet; noch door dromen, noch door de urim, noch door de profeten.
7 Toen zeide Saul tot zijn knechten: Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nuzeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft.
8 En Saul verstelde zich, en trok andere klederen aan, en ging heen, en twee mannen met hem, en zij kwamen des nachts tot de vrouw, en hij zeide: Voorzeg mijtoch door den waarzeggenden geest, en doe mij opkomen, dien ik tot u zeggen zal.
9 Toen zeide de vrouw tot hem: Zie, gij weet, wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzegsters en de duivelskunstenaars uit dit land heeft uitgeroeid; waarom steltgij dan mijn ziel een strik, om mij te doden?
10 Saul nu zwoer haar bij den HEERE, zeggende: Zo waarachtig als de HEERE leeft, indien u een straf om deze zaak zal overkomen!
11 Toen zeide de vrouw: Wien zal ik u doen opkomen? En hij zeide: Doe mij Samuel opkomen.
12 Toen nu de vrouw Samuel zag, zo riep zij met luider stem, en de vrouw sprak tot Saul, zeggende: Waarom hebt gij mij bedrogen? Want gij zijt Saul.
13 En de koning zeide tot haar: Vrees niet; maar wat ziet gij? Toen zeide de vrouw tot Saul: Ik zie goden, uit de aarde opkomende.
14 Hij dan zeide tot haar: Hoe is zijn gedaante? En zij zeide: Er komt een oud man op, en hij is met een mantel bekleed. Toen Saul vernam, dat het Samuel was, zoneigde hij zich met het aangezicht ter aarde, en hij boog zich.
15 En Samuel zeide tot Saul: Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen? Toen zeide Saul: Ik ben zeer beangstigd, want de Filistijnen krijgentegen mij, en God is van mij geweken, en antwoordt mij niet meer, noch door den dienst der profeten, noch door dromen; daarom heb ik u geroepen, dat gijmij te kennen geeft, wat ik doen zal.
16 Toen zeide Samuel: Waarom vraagt gij mij toch, dewijl de HEERE van u geweken en uw vijand geworden is?
17 Want de HEERE heeft voor Zich gedaan, gelijk als Hij door mijn dienst gesproken heeft; en heeft het koninkrijk van uw hand gescheurd, en Hij heeft datgegeven aan uw naaste, aan David.
18 Gelijk als gij naar de stem des HEEREN niet gehoord hebt, en de hittigheid Zijns toorns niet uitgericht hebt tegen Amalek; daarom heeft de HEERE u deze zaakgedaan te dezen dage.
19 En de HEERE zal ook Israel met u in de hand der Filistijnen geven, en morgen zult gij en uw zonen bij mij zijn; ook zal de HEERE het leger van Israel in dehand der Filistijnen geven.
20 Toen viel Saul haastelijk ter aarde, zo lang als hij was, en hij vreesde zeer vanwege de woorden van Samuel; ook was er geen kracht in hem; want hij had dengehelen dag en den gehelen nacht geen brood gegeten.
21 De vrouw nu kwam tot Saul, en zag, dat hij zeer verbaasd was; en zij zeide tot hem: Zie, uw dienstmaagd heeft naar uw stem gehoord, en ik heb mijn ziel in mijnhand gesteld, en ik heb uw woorden gehoord, die gij tot mij gesproken hebt.
22 Zo hoor toch gij nu ook naar de stem uwer dienstmaagd, en laat mij een bete broods voor u zetten, en eet; zo zal er kracht in u zijn, dat gij over weg gaat.
23 Doch hij weigerde het, en zeide: Ik zal niet eten. Maar zijn knechten, en ook de vrouw, hielden bij hem aan. Toen hoorde hij naar hun stem, en hij stond op vande aarde, en zette zich op het bed.
24 En de vrouw had een gemest kalf in het huis; en zij haastte zich en slachtte het; en zij nam meel, en kneedde het, en bakte daar ongezuurde van.
25 En zij bracht ze voor Saul en voor zijn knechten, en zij aten; daarna stonden zij op, en gingen weg in dienzelfden nacht.








