Home Bijbel dagelijks Nieuwe Testament 46 1 Korinthiërs 1 Korinthiërs 11: Avondmaal en orde in de kerk

1 Korinthiërs 11: Avondmaal en orde in de kerk

0
1382
Romantische schildering van het Avondmaal, Jezus deelt brood met discipelen onder een warme hemel vol symboliek en licht.
Jezus stelt het Heilig Avondmaal in, zoals Paulus herinnert in 1 Korinthiërs 11.

1 Korinthiërs 11 vormt een belangrijk hoofdstuk in Paulus’ eerste brief aan de gemeente in Korinthe. Het behandelt zowel orde en respect in erediensten als de instelling van het Heilig Avondmaal. Paulus benadrukt hierin de rol van gezag en eerbaarheid binnen de gemeente, evenals de noodzaak om het Avondmaal waardig te vieren. Het hoofdstuk is niet alleen een richtlijn voor de vroege christelijke gemeenschap, maar biedt ook vandaag de dag inzichten in eerbied, gemeenschap en toewijding aan Christus.

Gezag en orde binnen de gemeente

Paulus begint dit hoofdstuk door te wijzen op de verhouding tussen Christus, de man en de vrouw. Christus is het hoofd van de man, en de man is het hoofd van de vrouw, terwijl God het hoofd is van Christus. Deze structuur benadrukt geen ongelijkheid in waarde, maar een orde die de harmonie in de gemeente moet ondersteunen. Paulus onderstreept dat eer en respect zichtbaar mogen worden in houding en gedrag tijdens de samenkomsten.

Bedekking van het hoofd tijdens gebed en profetie

Een concreet punt dat Paulus bespreekt, is de vraag of mannen en vrouwen hun hoofd moeten bedekken of ontbloten tijdens gebed en profetie.

  • Een man die bidt of profeteert met bedekt hoofd, oneert zijn hoofd, namelijk Christus.
  • Een vrouw die bidt of profeteert zonder hoofdbedekking, wordt vergeleken met een vrouw die haar haar afgesneden heeft, wat in die cultuur als schande gold.

Paulus legt uit dat het lange haar van de vrouw haar tot eer strekt en haar als natuurlijke bedekking dient. De symbolische handeling van hoofdbedekking was bedoeld om respect en orde in de eredienst te waarborgen. Hij sluit af met de oproep om geen twist te zoeken over deze gebruiken, want dit gold als gangbare gewoonte in de kerken van God.

Misstanden rond het Avondmaal

Een groot deel van dit hoofdstuk richt zich op de problemen rond de viering van het Avondmaal in Korinthe. Paulus wijst de gemeente scherp terecht omdat de samenkomsten eerder verdeeldheid en egoïsme toonden dan ware gemeenschap in Christus. Sommige gemeenteleden kwamen vroeg om overvloedig te eten en te drinken, terwijl anderen met lege handen bleven. Dit misbruik ontnam de viering haar heilige betekenis.

De instelling van het Avondmaal

Paulus herinnert de Korinthiërs aan de woorden en daden van Jezus tijdens het Laatste Avondmaal. In de nacht dat Hij werd verraden, nam Jezus het brood, dankte, brak het en zei: “Dit is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dit tot Mijn gedachtenis.” Evenzo nam Hij de beker en sprak: “Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed; doet dat, zo dikwijls als gij die drinkt, tot Mijn gedachtenis.”

Elke keer dat de gemeente brood eet en de beker drinkt, verkondigen zij de dood van de Heere totdat Hij komt. Het Avondmaal is dus niet slechts een ritueel, maar een voortdurende verkondiging van het verlossingswerk van Christus.

Waardig deelnemen aan het Avondmaal

Paulus waarschuwt dat deelname aan het Avondmaal met een verkeerde houding ernstige gevolgen heeft. Wie eet en drinkt zonder onderscheid te maken tussen gewoon voedsel en de heilige betekenis van Christus’ lichaam en bloed, maakt zich schuldig. Velen in Korinthe waren hierdoor ziek of zelfs gestorven.

Daarom roept Paulus op tot zelfonderzoek: ieder moet zijn eigen hart toetsen voordat hij of zij deelneemt. De viering van het Avondmaal is bedoeld om eenheid, heiligheid en eerbied te bevorderen, niet verdeeldheid of zelfzucht.

Gemeenschap, eenheid en respect

Het hoofdstuk eindigt met de oproep om in liefde en eerbied samen te komen. Gelovigen dienen op elkaar te wachten en oog te hebben voor de noden van de ander. Het Avondmaal is geen persoonlijke maaltijd, maar een gemeenschap van het lichaam van Christus. Alleen door in eenheid en oprechte eerbied te vieren, wordt de bedoeling van Christus vervuld.

Conclusie

1 Korinthiërs 11 geeft richtlijnen voor orde, respect en heiligheid binnen de gemeente. Paulus benadrukt dat uiterlijke tekenen – zoals hoofdbedekking of houding tijdens gebed – verbonden zijn met een diepere geestelijke betekenis van eerbied en onderwerping aan God. Het hoogtepunt van het hoofdstuk is de herinnering aan de instelling van het Avondmaal, waarin de gemeente Christus’ offer gedenkt en Zijn dood verkondigt. Dit vraagt om zelfonderzoek, nederigheid en liefdevolle gemeenschap.

Zo vormt 1 Korinthiërs 11 een blijvende oproep om de samenkomsten van de gemeente te zien als momenten van heilige toewijding aan Christus en van broederlijke liefde onder elkaar.


1 Korinthiërs 11

1 Weest mijn   navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.
2 En ik   prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen   behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.
3 Doch ik   wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man   het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.
4 Een   iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert   zijn eigen hoofd;
5 Maar een   iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar   eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar   afgesnedenware.
6 Want   indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het   lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben,   datzij zich dekke.
7 Want de   man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid   Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.
8 Want de   man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man.
9 Want ook   is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.
10 Daarom   moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil.
11 Nochtans   is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere.
12 Want   gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch   alle dingen zijn uit God.
13 Oordeelt   gij onder uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde?
14 Of leert u   ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer   is?
15 Maar zo   een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar   voor een deksel haar is gegeven?
16 Doch   indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet,   noch de Gemeenten Gods.
17 Dit nu,   hetgeen ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar   tot erger samenkomt.
18 Want   eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen   zijn onder u; en ik geloof het ten dele;
19 Want er   moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar   mogen worden onder u.
20 Als gij   dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten.
21 Want in   het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is   hongerig, en de andere is dronken.
22 Hebt gij   dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente   Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik   uprijzen? In dezen prijs ik u niet.
23 Want ik   heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere   Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam;
24 En als Hij   gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat   voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
25 Desgelijks   nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze   drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als   gijdien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
26 Want zo   dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo   verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.
27 Zo dan,   wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal   schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.
28 Maar de   mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den   drinkbeker.
29 Want die   onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet   onderscheidende het lichaam des Heeren.
30 Daarom   zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.
31 Want   indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.
32 Maar als   wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met   de wereld niet zouden veroordeeld worden.
33 Zo dan,   mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander.
34 Doch zo   iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel   samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.