1 Korinthiërs 11 vormt een belangrijk hoofdstuk in Paulus’ eerste brief aan de gemeente in Korinthe. Het behandelt zowel orde en respect in erediensten als de instelling van het Heilig Avondmaal. Paulus benadrukt hierin de rol van gezag en eerbaarheid binnen de gemeente, evenals de noodzaak om het Avondmaal waardig te vieren. Het hoofdstuk is niet alleen een richtlijn voor de vroege christelijke gemeenschap, maar biedt ook vandaag de dag inzichten in eerbied, gemeenschap en toewijding aan Christus.
Gezag en orde binnen de gemeente
Paulus begint dit hoofdstuk door te wijzen op de verhouding tussen Christus, de man en de vrouw. Christus is het hoofd van de man, en de man is het hoofd van de vrouw, terwijl God het hoofd is van Christus. Deze structuur benadrukt geen ongelijkheid in waarde, maar een orde die de harmonie in de gemeente moet ondersteunen. Paulus onderstreept dat eer en respect zichtbaar mogen worden in houding en gedrag tijdens de samenkomsten.
Bedekking van het hoofd tijdens gebed en profetie
Een concreet punt dat Paulus bespreekt, is de vraag of mannen en vrouwen hun hoofd moeten bedekken of ontbloten tijdens gebed en profetie.
- Een man die bidt of profeteert met bedekt hoofd, oneert zijn hoofd, namelijk Christus.
- Een vrouw die bidt of profeteert zonder hoofdbedekking, wordt vergeleken met een vrouw die haar haar afgesneden heeft, wat in die cultuur als schande gold.
Paulus legt uit dat het lange haar van de vrouw haar tot eer strekt en haar als natuurlijke bedekking dient. De symbolische handeling van hoofdbedekking was bedoeld om respect en orde in de eredienst te waarborgen. Hij sluit af met de oproep om geen twist te zoeken over deze gebruiken, want dit gold als gangbare gewoonte in de kerken van God.
Misstanden rond het Avondmaal
Een groot deel van dit hoofdstuk richt zich op de problemen rond de viering van het Avondmaal in Korinthe. Paulus wijst de gemeente scherp terecht omdat de samenkomsten eerder verdeeldheid en egoïsme toonden dan ware gemeenschap in Christus. Sommige gemeenteleden kwamen vroeg om overvloedig te eten en te drinken, terwijl anderen met lege handen bleven. Dit misbruik ontnam de viering haar heilige betekenis.
De instelling van het Avondmaal
Paulus herinnert de Korinthiërs aan de woorden en daden van Jezus tijdens het Laatste Avondmaal. In de nacht dat Hij werd verraden, nam Jezus het brood, dankte, brak het en zei: “Dit is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dit tot Mijn gedachtenis.” Evenzo nam Hij de beker en sprak: “Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed; doet dat, zo dikwijls als gij die drinkt, tot Mijn gedachtenis.”
Elke keer dat de gemeente brood eet en de beker drinkt, verkondigen zij de dood van de Heere totdat Hij komt. Het Avondmaal is dus niet slechts een ritueel, maar een voortdurende verkondiging van het verlossingswerk van Christus.
Waardig deelnemen aan het Avondmaal
Paulus waarschuwt dat deelname aan het Avondmaal met een verkeerde houding ernstige gevolgen heeft. Wie eet en drinkt zonder onderscheid te maken tussen gewoon voedsel en de heilige betekenis van Christus’ lichaam en bloed, maakt zich schuldig. Velen in Korinthe waren hierdoor ziek of zelfs gestorven.
Daarom roept Paulus op tot zelfonderzoek: ieder moet zijn eigen hart toetsen voordat hij of zij deelneemt. De viering van het Avondmaal is bedoeld om eenheid, heiligheid en eerbied te bevorderen, niet verdeeldheid of zelfzucht.
Gemeenschap, eenheid en respect
Het hoofdstuk eindigt met de oproep om in liefde en eerbied samen te komen. Gelovigen dienen op elkaar te wachten en oog te hebben voor de noden van de ander. Het Avondmaal is geen persoonlijke maaltijd, maar een gemeenschap van het lichaam van Christus. Alleen door in eenheid en oprechte eerbied te vieren, wordt de bedoeling van Christus vervuld.
Conclusie
1 Korinthiërs 11 geeft richtlijnen voor orde, respect en heiligheid binnen de gemeente. Paulus benadrukt dat uiterlijke tekenen – zoals hoofdbedekking of houding tijdens gebed – verbonden zijn met een diepere geestelijke betekenis van eerbied en onderwerping aan God. Het hoogtepunt van het hoofdstuk is de herinnering aan de instelling van het Avondmaal, waarin de gemeente Christus’ offer gedenkt en Zijn dood verkondigt. Dit vraagt om zelfonderzoek, nederigheid en liefdevolle gemeenschap.
Zo vormt 1 Korinthiërs 11 een blijvende oproep om de samenkomsten van de gemeente te zien als momenten van heilige toewijding aan Christus en van broederlijke liefde onder elkaar.
1 Korinthiërs 11
| 1 | Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus. |
| 2 | En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb. |
| 3 | Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus. |
| 4 | Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd; |
| 5 | Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesnedenware. |
| 6 | Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, datzij zich dekke. |
| 7 | Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. |
| 8 | Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man. |
| 9 | Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. |
| 10 | Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil. |
| 11 | Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere. |
| 12 | Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God. |
| 13 | Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde? |
| 14 | Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is? |
| 15 | Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven? |
| 16 | Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten Gods. |
| 17 | Dit nu, hetgeen ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar tot erger samenkomt. |
| 18 | Want eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele; |
| 19 | Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u. |
| 20 | Als gij dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten. |
| 21 | Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken. |
| 22 | Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik uprijzen? In dezen prijs ik u niet. |
| 23 | Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam; |
| 24 | En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. |
| 25 | Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gijdien zult drinken, tot Mijn gedachtenis. |
| 26 | Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt. |
| 27 | Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. |
| 28 | Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker. |
| 29 | Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren. |
| 30 | Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen. |
| 31 | Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. |
| 32 | Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. |
| 33 | Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander. |
| 34 | Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn. |









