
Matthëus 14 brengt een overgang in Jezus’ bediening. Het hoofdstuk opent met het relaas over de dood van Johannes de Doper, en vervolgt met twee van Jezus’ grote wonderen: de spijziging van de vijfduizend en Zijn wandel op het water. Doorheen het hoofdstuk wordt duidelijk hoe Jezus reageert op verdriet, drukte, ongeloof en nood, en hoe Zijn goddelijke macht zichtbaar wordt voor de discipelen en het volk.
De dood van Johannes de Doper
Koning Herodes hoort over Jezus’ wonderen en vreest dat Hij Johannes de Doper is, teruggekomen uit de dood. Vervolgens vertelt het hoofdstuk hoe Johannes onthoofd werd. Herodes had Johannes gevangengenomen omdat deze had gezegd dat het niet goed was dat hij Herodias, de vrouw van zijn broer, als vrouw had genomen. Tijdens een feest belooft Herodes de dochter van Herodias alles wat ze vraagt. Aangespoord door haar moeder vraagt ze om het hoofd van Johannes. Herodes, hoewel bedroefd, laat Johannes onthoofden vanwege zijn eed.
Jezus trekt zich terug en geneest velen
Wanneer Jezus het nieuws van Johannes’ dood hoort, trekt Hij zich terug naar een eenzame plaats. Maar de menigte volgt Hem. In plaats van hen weg te sturen, wordt Hij innerlijk met ontferming bewogen en geneest Hij hun zieken. Dit laat Zijn medelijden en zorg zien, zelfs in momenten van persoonlijke rouw.
De wonderbare spijziging
Tegen de avond wijzen de discipelen Jezus erop dat de mensen honger hebben en dat het beter is hen weg te sturen. Jezus antwoordt: “Geeft gij hun te eten.” Met slechts vijf broden en twee vissen zegent Hij het voedsel en breekt het. Er worden meer dan vijfduizend mannen gevoed, afgezien van vrouwen en kinderen. Er blijven zelfs twaalf manden met brokken over. Dit wonder benadrukt Jezus’ goddelijke voorziening.
Jezus wandelt op het water
Na het wonder stuurt Jezus de discipelen vooruit met de boot en trekt zich terug om te bidden. ’s Nachts, tijdens een storm, komt Jezus over het water naar hen toe. De discipelen schrikken en denken dat het een spook is. Jezus stelt hen gerust. Petrus vraagt om naar Hem toe te mogen komen over het water. Hij stapt uit de boot en loopt op het water, maar zinkt zodra hij op de golven let. Jezus redt hem en zegt: “Kleingelovige, waarom hebt gij getwijfeld?” Daarna gaan ze samen in de boot en de storm gaat liggen.
Genezingen in Gennesaret
Ze komen aan in Gennesaret, waar de mensen Jezus herkennen. Ze brengen alle zieken bij Hem en vragen of zij slechts de zoom van Zijn kleed mogen aanraken. Allen die Hem aanraken worden genezen. Jezus’ macht en barmhartigheid blijven duidelijk zichtbaar.
Matthëus 14 toont ons Jezus als degene die troost, voedt, geneest en heerst over de natuur. Tegelijk openbaart het de groeiende oppositie en het lijden van Zijn volgelingen.
Matthëus 14
1 Te dierzelver tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht van Jezus;
2 En zeide tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.
3 Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Herodias’ wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder.
4 Want Johannes zeide tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben.
5 En willende hem doden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet.
6 Maar als de dag der geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde aan Herodes.
7 Waarom hij haar met ede beloofde te geven, wat zij ook eisen zou.
8 En zij, te voren onderricht zijnde van haar moeder, zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Doper.
9 En de koning werd bedroefd; doch om de eden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden;
10 En zond heen, en onthoofdde Johannes in den kerker.
11 En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het dochtertje gegeven; en zij droeg het tot haar moeder.
12 En zijn discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelve; en gingen en boodschapten het Jezus.
13 En als Jezus dit hoorde, vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats alleen; en de scharen, dat horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden.
14 En Jezus uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun kranken.
15 En als het nu avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan; laat de scharen van U, opdat zijheengaan in de vlekken en zichzelven spijs kopen.
16 Maar Jezus zeide tot hen: Het is hun niet van node heen te gaan, geeft gij hun te eten.
17 Doch zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen.
18 En Hij zeide: Brengt Mij dezelve hier.
19 En Hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar den hemel, zegende dezelve; en als Hij zegebroken had, gaf Hij de broden den discipelen, en de discipelen aan de scharen.
20 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, twaalf volle korven.
21 Die nu gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.
22 En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten.
23 En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.
24 En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen.
25 Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.
26 En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vrees.
27 Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.
28 En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.
29 En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.
30 Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!
31 En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?
32 En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.
33 Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!
34 En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennesaret.
35 En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat gehele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren;
36 En baden Hem, dat zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zovelen als Hem aanraakten, werden gezond.








