
Markus 7 opent met een confrontatie tussen Jezus en de farizeeën. Jezus wijst hen terecht omdat ze Zijn discipelen bekritiseren vanwege het eten zonder rituele handwassing. In dit hoofdstuk gaat het om de kern van ware reinheid: niet uiterlijk ritueel, maar innerlijke gezindheid. Daarna reist Jezus naar heidens gebied en geneest Hij de dochter van een Griekse vrouw én een dove man. Markus 7 laat zien dat Gods koninkrijk grensoverschrijdend en hartgericht is.
Wat verontreinigt werkelijk? (vers 14–23)
Jezus roept het volk bijeen en onderwijst dat niets wat van buiten in de mens komt hem kan verontreinigen. Het zijn de dingen die uit het hart voortkomen die een mens onrein maken: kwade gedachten, overspel, moord, diefstal, enzovoort. Hiermee keert Jezus zich tegen het joodse idee dat reinheid vooral te maken heeft met voedselwetten en uiterlijke handelingen. Zijn leerlingen vinden dit moeilijk, maar Jezus legt het uit: wat je eet gaat naar de maag, maar zonden komen uit het hart.
Het geloof van een Griekse vrouw (vers 24–30)
Jezus trekt zich terug naar het gebied van Tyrus en Sidon. Daar komt een Griekse vrouw (Syro-Fenicische afkomst) naar Hem toe. Haar dochter is bezeten door een onreine geest. Jezus lijkt haar eerst af te wijzen met een gelijkenis over het brood van de kinderen (Israël) dat niet aan honden (heidenen) gegeven wordt. Maar haar geloof en nederige antwoord (“zelfs de hondjes eten van de kruimels”) raken Jezus diep. Hij geneest haar dochter direct, op afstand.
Genezing van een dove man (vers 31–37)
Jezus trekt verder naar het gebied van Dekapolis. Mensen brengen een dove man bij Hem, die ook moeilijk spreekt. Jezus neemt hem apart, raakt zijn oren en tong, kijkt op naar de hemel en zegt: “Effatha” (word geopend). Meteen worden de oren geopend en de tong losgemaakt. Jezus gebiedt het niet te vertellen, maar hoe meer Hij dit zegt, hoe meer het verspreid wordt. De mensen zijn buiten zichzelf van verbazing: “Hij maakt alles goed! De doven laat Hij horen en de stommen spreken!”
Markus 7 benadrukt dat ware reinheid een zaak van het hart is, niet van uiterlijkheden. Jezus’ genade breekt door culturele grenzen heen en reikt ook naar niet-Joden.
Markus 7
1 En tot Hem vergaderden de Farizeen, en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;
2 En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.
3 Want de Farizeen en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, houdende de inzettingen der ouden.
4 En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk dewassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden.
5 Daarna vraagden Hem de Farizeen en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood metongewassen handen?
6 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun harthoudt zich verre van Mij.
7 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen;
8 Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gijvele.
9 En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden.
10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.
11 Maar gijlieden zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, dievoldoet.
12 En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen;
13 Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij.
14 En tot Zich de ganse schare geroepen hebbende, zeide Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat.
15 Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mens ontreinigen.
16 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
17 En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis.
18 En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?
19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen.
20 En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.
21 Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,
22 Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.
23 Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.
24 En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij konnochtans niet verborgen zijn.
25 Want een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten.
26 Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-Fenicie; en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter.
27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens voorwerpe.
28 Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.
29 En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.
30 En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed.
31 En Hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden der landpalen van Dekapolis.
32 En zij brachten tot Hem een dove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde.
33 En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak Hij Zijn vingeren in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan;
34 En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte Hij, en zeide tot hem: Effatha! dat is: wordt geopend!
35 En terstond werden zijn oren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht.
36 En Hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het des te meer.
37 En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de doven horen, en de stommen spreken.








