Home Bijbel dagelijks Nieuwe Testament 42 Lucas Lukas 18: Volhardend gebed en nederig geloof

Lukas 18: Volhardend gebed en nederig geloof

0
1351
Twee biddende mannen afgebeeld in kleurrijke streetart-stijl met vurige lucht op een stadsmuur.
Een romantische streetart-muurschildering toont twee gebedsscènes uit Lukas 18: een volhardende weduwe en een nederige tollenaar.

Lukas 18 is een belangrijk hoofdstuk in het evangelie waarin Jezus met duidelijke gelijkenissen en uitspraken laat zien wat echte volharding, nederigheid en geloof betekenen. De tekst bestaat uit zes kernonderdelen: twee gelijkenissen, een zegenmoment met kinderen, een ontmoeting met een rijke leider, een aankondiging van Jezus’ lijden, en een genezing van een blinde man. Elk deel draagt bij aan het bredere begrip van Gods Koninkrijk.

Volhardend gebed en rechtvaardigheid (vers 1–14)

De weduwe en de onrechtvaardige rechter

Jezus vertelt een gelijkenis over een weduwe die blijft aandringen bij een rechter. Hoewel de rechter geen ontzag voor God of mensen heeft, helpt hij haar uiteindelijk vanwege haar volharding. Jezus leert hiermee dat we niet moeten ophouden met bidden – God zal recht doen aan wie Hem dag en nacht aanroepen (vers 1–8).

De farizeeër en de tollenaar

Een tweede gelijkenis (vers 9–14) richt zich op mensen die zichzelf rechtvaardig achten. Een farizeeër en een tollenaar bidden in de tempel. De farizeeër dankt God dat hij niet zondigt zoals anderen. De tollenaar daarentegen durft niet omhoog te kijken en vraagt alleen om genade. Jezus verklaart dat de tollenaar rechtvaardig vertrok, niet de farizeeër. Nederigheid is de sleutel tot vergeving.

Zegen over de kinderen (vers 15–17)

Mensen brengen hun kinderen naar Jezus. Zijn discipelen proberen dit te verhinderen, maar Jezus corrigeert hen: “Laat de kinderen tot Mij komen.” Het Koninkrijk van God behoort juist aan mensen toe die het ontvangen als een kind – open, afhankelijk en vol vertrouwen.

De rijke overste en het eeuwige leven (vers 18–30)

Een vooraanstaand man vraagt Jezus hoe hij eeuwig leven kan beërven. Hij houdt zich aan de geboden, maar als Jezus hem vraagt alles te verkopen en Hem te volgen, gaat hij bedroefd weg. Jezus legt uit dat het voor rijken moeilijk is om het Koninkrijk binnen te gaan, “want hoe moeilijk gaan zij die op rijkdom vertrouwen in het Koninkrijk Gods!” Petrus vraagt wat de discipelen krijgen. Jezus belooft dat wie alles verlaat omwille van Hem, in dit leven veelvoudig terugkrijgt, én in de toekomende wereld het eeuwige leven.

Aankondiging van Jezus’ lijden (vers 31–34)

Jezus kondigt voor de derde keer aan dat Hij zal worden overgeleverd, bespot, gegeseld en gekruisigd, maar op de derde dag zal opstaan. De discipelen begrijpen dit nog niet – het blijft voor hen verborgen.

De blinde bij Jericho (vers 35–43)

Als Jezus Jericho nadert, zit er een blinde man langs de weg die roept om ontferming. Ondanks tegenstand blijft hij roepen. Jezus geneest hem vanwege zijn geloof. De man volgt Hem en looft God, tot vreugde van het volk.

Conclusie

Lukas 18 laat zien hoe essentieel geloof, volharding en nederigheid zijn. Jezus benadrukt dat Gods Koninkrijk anders werkt dan menselijke logica: gebed, overgave en vertrouwen zijn essentieel voor wie Hem wil volgen.


Lukas 18

1 En Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen;

2 Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde, en geen mens ontzag.

3 En er was een zekere weduwe in dezelfde stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn wederpartij.

4 En hij wilde voor een langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vreze, en geen mens ontzie;

5 Nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke.

6 En de Heere zeide: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt.

7 Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?

8 Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?

9 En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:

10 Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een Farizeer, en de ander een tollenaar.

11 De Farizeer, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijkdeze tollenaar.

12 Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit.

13 En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaargenadig!

14 Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelvenvernedert, zal verhoogd worden.

15 En zij brachten ook de kinderkens tot Hem, opdat Hij die zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften dezelve.

16 Maar Jezus riep dezelve kinderkens tot Zich, en zeide: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.

17 Voorwaar, zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen.

18 En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beerven?

19 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God.

20 Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder.

21 En hij zeide: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid aan.

22 Doch Jezus, dit horende, zeide tot hem: Nog een ding ontbreekt u; verkoop alles, wat gij hebt, en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in denhemel; en kom herwaarts, volg Mij.

23 Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig; want hij was zeer rijk.

24 Jezus nu, ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan!

25 Want het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.

26 En die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden?

27 En Hij zeide: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.

28 En Petrus zeide: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.

29 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg ulieden, dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broeders, of vrouw, of kinderen, om het KoninkrijkGods;

30 Die niet zal veelvoudig weder ontvangen in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.

31 En Hij nam de twaalven bij Zich, en zeide tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensen, watgeschreven is door de profeten.

32 Want Hij zal den heidenen overgeleverd worden, en Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden.

33 En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en ten derden dage zal Hij wederopstaan.

34 En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, hetgeen gezegd werd.

35 En het geschiedde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende.

36 En deze, horende de schare voorbijgaan, vraagde, wat dat ware.

37 En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging.

38 En hij riep, zeggende: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!

39 En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zone Davids, ontferm U mijner!

40 En Jezus, stilstaande, beval, dat men denzelven tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem,

41 Zeggende: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere! dat ik ziende mag worden.

42 En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden.

43 En terstond werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, gaf Gode lof.