Jeremia 5 laat zien hoe ver Juda van God is afgeweken. De profeet onderzoekt de stad Jeruzalem, maar vindt niemand die recht doet of waarheid liefheeft. Leiders en volk leven in leugen en zelfbedrog. Toch blijft Gods rechtvaardigheid zichtbaar: Hij verlangt niet naar vernietiging, maar naar bekering. Dit hoofdstuk is een spiegel voor elk volk dat waarheid inruilt voor gemak.
Jeremia zoekt een rechtvaardige (Jeremia 5:1-3)
God geeft Jeremia de opdracht om door de straten van Jeruzalem te gaan en te zoeken naar één mens die recht doet en waarheid zoekt. Als zo iemand gevonden wordt, zal God de stad vergeven. Jeremia ontdekt echter dat zelfs zij die zweren bij de naam van de HEERE, het vals doen. Niemand laat zich tuchtigen. De profeet zegt: “HEERE, Uw ogen zijn toch op waarheid gericht?” (vers 3). Toch weigert het volk zich te laten kastijden.
De ontrouw van rijken en armen (Jeremia 5:4-5)
Jeremia vermoedt dat het gewone volk onwetend is, dat zij Gods weg niet kennen. Hij besluit daarom tot de groten te gaan, tot de leiders die inzicht zouden moeten hebben. Maar ook zij verwerpen Gods woord. Allen samen hebben “het juk verbroken en de banden verscheurd” (vers 5). De geestelijke blindheid is algemeen. Niemand buigt voor Gods gezag.
De aankondiging van oordeel (Jeremia 5:6-9)
Omdat het volk volhardt in zonde, komt er oordeel. God beschrijft het als roofdieren die Juda zullen verscheuren: een leeuw uit het woud, een wolf uit de avond en een luipaard op de wegen. Dit beeld van verwoesting laat zien dat het oordeel niet toevallig is, maar een gevolg van zonde. God vraagt: “Zou Ik zulks niet straffen?” (vers 9). Zijn heiligheid verdraagt geen huichelarij.
Overspel en geestelijke ontrouw (Jeremia 5:7-9)
God vergelijkt het volk met overspelige mensen. Ze verlaten Hem en buigen voor vreemde goden. In plaats van trouw te zijn, zoeken ze eigen verlangens. Hun geestelijk overspel is een breuk met het verbond. De HEERE zegt dat Hij hen kinderen schonk, maar dat zij Hem verlieten. Deze beelden tonen hoe diep de zonde reikt: wat bedoeld was voor gemeenschap met God is ontheiligd.
Leugen en valse profetie (Jeremia 5:10-13)
Jeremia hoort hoe het volk zegt: “Het zal ons niet overkomen.” De profeten profeteren leugen, de priesters heersen naar hun eigen zin, en het volk wil het zo (vers 31). De mensen vertrouwen op misleidende woorden in plaats van op de HEERE. Zij zeggen: “Geen kwaad zal ons treffen, zwaard noch honger zullen wij zien” (vers 12). Dit is zelfbedrog dat Gods oordeel alleen maar dichterbij brengt.
Gods woord als een verterend vuur (Jeremia 5:14-19)
God spreekt tot Jeremia: “Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren” (vers 14). Zijn woord is krachtig en oordelend. De HEERE kondigt aan dat Hij een volk uit verre landen zal brengen – sterk en oud, met een taal die Juda niet verstaat. Deze verwijzing naar Babylon laat zien dat het oordeel concreet is. Toch belooft God dat Hij Zijn volk niet volledig zal vernietigen: “Ik zal u niet gans te gronde richten” (vers 18).
Blindheid en ondankbaarheid (Jeremia 5:20-25)
God richt zich tot het huis van Jakob met een oproep: “Vreest gij Mij niet?” (vers 22). Hij herinnert hen aan Zijn macht: Hij stelde de zee haar grens, Hij geeft regen en oogst. Toch danken de mensen Hem niet. Hun hart is opstandig en weerspannig. Door hun overtredingen worden zegeningen weggenomen. Waar geen ontzag voor God is, verdwijnt ook vruchtbaarheid en vrede.
Onrecht en hebzucht (Jeremia 5:26-29)
Er zijn onder het volk boze mannen die mensen als vogels vangen in netten. Ze verrijken zich door bedrog en onrecht. De armen worden uitgebuit, de wezen worden mishandeld en rechtspraak wordt verdraaid. De HEERE zegt: “Zou Ik zulks niet straffen? zegt de HEERE, zou Mijn ziel zich niet wreken op zulk een volk als dit?” (vers 29). Recht en gerechtigheid zijn de maatstaven van Gods verbond, en waar die ontbreken, komt oordeel.
Valse profeten en een verblind volk (Jeremia 5:30-31)
Het hoofdstuk eindigt met een schrijnende samenvatting: “Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak is geschied in het land: de profeten profeteren vals, de priesters heersen door hun hand, en Mijn volk heeft het gaarne alzo.” Het volk is tevreden met leugen, zolang het niet geconfronteerd wordt met waarheid. Jeremia sluit af met de indringende vraag: “Wat zult gij doen ten einde toe?” (vers 31).
De kern van Jeremia 5
Jeremia 5 is een boodschap van rechtvaardig oordeel en goddelijke liefde. God verlangt naar waarheid in plaats van uiterlijke vroomheid. Hij zoekt harten die trouw zijn, mensen die gerechtigheid liefhebben. Het oordeel is geen wreedheid, maar een poging om het volk tot bezinning te brengen. De roep tot bekering klinkt nog steeds: waarheid en trouw zijn de sleutel tot herstel.
Toepassing voor vandaag
Jeremia 5 spreekt tot iedere generatie. Wanneer mensen waarheid vervangen door gemak, recht negeren en onrecht toelaten, roept God tot bekering. Zijn woord is nog steeds als een vuur dat reinigt en als een hamer die harten verbreekt. Het is een oproep om terug te keren tot God, naar eerlijkheid, mededogen en gehoorzaamheid aan Zijn Woord.
Wie de stem van de HEERE hoort, laat hem niet verharden, maar antwoorden met geloof en trouw.
Jeremia 5
1 Gaat om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of gij iemand vindt, of er een is, die recht doet, die waarheid zoekt, zo zal Ik haar genadig zijn.
2 En of zij al zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft! zo zweren zij toch valselijk.
3 O HEERE! zien Uw ogen niet naar waarheid? Gij hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; Gij hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.
4 Doch ik zeide: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des HEEREN, het recht hun Gods niet weten.
5 Ik zal gaan tot de groten, en met hen spreken, want die weten den weg des HEEREN, het recht huns Gods; maar zij hadden te zamen het juk verbroken, en de banden verscheurd.
6 Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf der wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie uit dezelve uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden.
7 Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis.
8 Als welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op; zij hunkeren een iegelijk naar zijns naasten huisvrouw.
9 Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de HEERE. Of zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is?
10 Beklimt haar muren, en verderft ze (doch maakt geen voleinding); doet haar spitsen weg, want zij zijn des HEEREN niet.
11 Want het huis van Israël en het huis van Juda hebben gans trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, spreekt de HEERE.
12 Zij verloochenen den HEERE, en zeggen: Hij is het niet, en ons zal geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger zien.
13 Ja, die profeten zullen tot wind worden, want het woord is niet bij hen; hun zelven zal zo geschieden.
14 Daarom zegt de HEERE, de God der heirscharen, alzo, omdat gijlieden dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.
15 Ziet, Ik zal over ulieden een volk van verre brengen, o huis Israëls! spreekt de HEERE; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk, welks spraak gij niet zult kennen, en niet horen, wat het spreken zal.
16 Zijn pijlkoker is als een open graf; zij zijn altemaal helden.
17 En het zal uw oogst en uw brood opeten, dat uw zonen en uw dochteren zouden eten; het zal uw schapen en uw runderen opeten; het zal uw wijnstok en uw vijgeboom opeten; uw vaste steden, op dewelke gij vertrouwt, zal het arm maken, door het zwaard.
18 Nochtans zal Ik ook in die dagen, spreekt de HEERE, geen voleinding met ulieden maken.
19 En het zal geschieden, wanneer gij zult zeggen: Waarom heeft ons de HEERE, onze God, al deze dingen gedaan? dat gij tot hen zeggen zult: Gelijk als gijlieden Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, alzo zult gij de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet is.
20 Verkondigt dit in het huis van Jakob, en laat het horen in Juda, zeggende:
21 Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.
22 Zult gijlieden Mij niet vrezen? spreekt de HEERE; zult gij voor Mijn aangezicht niet beven? Die der zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan.
23 Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan;
24 En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu den HEERE, onzen God, vrezen, Die den regen geeft, zo vroegen regen als spaden regen, op Zijn tijd; Die ons de weken, de gezette tijden van den oogst, bewaart.
25 Uw ongerechtigheden wenden die dingen af, en uw zonden weren dat goede van ulieden.
26 Want onder Mijn volk worden goddelozen gevonden; een ieder van hen loert, gelijk zich de vogelvangers schikken; zij zetten een verderfelijken strik, zij vangen de mensen.
27 Gelijk een kouw vol is van gevogelte, alzo zijn hun huizen vol van bedrog; daarom zijn zij groot en rijk geworden.
28 Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak des wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der nooddruftigen niet.
29 Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de HEERE; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?
30 Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land.
31 De profeten profeteren valselijk, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het gaarne alzo; maar wat zult gij ten einde van dien maken?
« Jeremia 4









