
Genesis 50 sluit het boek Genesis af met de dood van Jakob en daarna die van Jozef. Het hoofdstuk bevat rouw, eerbied, vergeving en geloof in Gods beloften.
Na Jakobs overlijden valt Jozef huilend op zijn vader en kust hem. In overeenstemming met Egyptische gebruiken laat hij Jakob door artsen balsemen, wat veertig dagen duurt. De Egyptenaren rouwen zeventig dagen om Jakob, wat aantoont hoezeer hij ook daar gerespecteerd werd.
Na deze rouwperiode vraagt Jozef Farao om toestemming om zijn vader in Kanaän te begraven, zoals Jakob hem had laten zweren. Farao geeft toestemming, en Jozef trekt met een grote stoet naar Kanaän, bestaande uit zijn broers, dienaren van Farao, de oudsten van Egypte, wagens en ruiters. Alleen de kinderen en het vee blijven achter in Gosen. Het is een indrukwekkende begrafenisstoet.
Zij bereiken het veld van Atad, ten oosten van de Jordaan, waar zij een grote rouwplechtigheid houden, die zelfs door de Kanaänieten wordt opgemerkt. De plaats wordt Abel-Mizraïm genoemd, wat “rouw van Egypte” betekent. Daarna wordt Jakob begraven in de grot van Machpela, bij Hebron, het familiegraf van Abraham en Isaak.
Na de begrafenis keren Jozef en zijn broers terug naar Egypte. Jakobs zonen vrezen nu dat Jozef zich zal wreken voor alles wat zij hem vroeger aangedaan hebben — het verkopen als slaaf. Zij sturen een boodschap naar Jozef waarin zij zeggen dat Jakob nog voor zijn dood beval dat Jozef hun overtreding moest vergeven. Wanneer Jozef dit hoort, weent hij.
Daarna komen de broers zelf naar Jozef toe, vallen voor hem neer en bieden zich aan als zijn slaven. Jozef weigert echter en stelt hen gerust met beroemde woorden: “Vreest niet; ben ik in de plaats van God? Gij hebt kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, opdat Hij deed wat er nu is: een groot volk in het leven behouden.”
Jozef belooft hen en hun kinderen te blijven onderhouden. Daarmee sluit hij de cirkel van vergeving en genade af.
Het hoofdstuk eindigt met het levenseinde van Jozef. Hij wordt 110 jaar oud en maakt nog mee dat Efraïms kinderen tot in het derde geslacht geboren worden, evenals de zonen van Machir, zoon van Manasse. Hij spreekt tot zijn broeders en verzekert hen dat God hen zal bezoeken en hen terug zal brengen naar het beloofde land, zoals Hij gezworen heeft aan Abraham, Isaak en Jakob.
Jozef laat hen zweren dat zij zijn beenderen zullen meenemen wanneer zij uit Egypte trekken. Dit toont zijn blijvende geloof in Gods belofte. Jozef sterft, wordt gebalsemd en in een kist gelegd in Egypte.
Genesis 50 benadrukt Gods soevereine leiding, zelfs in pijnlijke omstandigheden, en sluit af met hoop op de toekomst.
Genesis 50
1 |
Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem. |
2 |
En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader balsemenzouden; en de medicijnmeesters balsemden Israel. |
3 |
En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagendergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventigdagen. |
4 |
Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis vanFarao, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt tochvoor de oren van Farao, zeggende: |
5 |
Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mijin het land Kanaan gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij tochoptrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen. |
6 |
En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren. |
7 |
En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao’sknechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte; |
8 |
Daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleenhun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen. |
9 |
En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir. |
10 |
Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan gene zijde van deJordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijnvader een rouw van zeven dagen. |
11 |
Als de inwoners des lands, de Kanaanieten, dien rouw zagen op het plein van hetdoornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemdemen haar naam Abel-Mizraim, die aan het veer van de Jordaan is. |
12 |
En zijn zonen deden hem, gelijk als hij hun geboden had; |
13 |
Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaan, en begroeven hem in despelonk des akkers van Machpela, welke Abraham met den akker gekocht hadtot een erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamre. |
14 |
Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij en zijn broeders, en allen, die met hemopgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had. |
15 |
Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zalons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hemaangedaan hebben. |
16 |
Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijndood, zeggende: |
17 |
Zo zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, enhun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch deovertreding der dienaren van den God uws vaders! En Jozef weende, als zij tothem spraken. |
18 |
Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wijzijn u tot knechten! |
19 |
En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God? |
20 |
Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goedegedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in hetleven te behouden. |
21 |
Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hijhen, en sprak naar hun hart. |
22 |
Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderden tien jaren. |
23 |
En Jozef zag van Efraim kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen vanMachir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieen geboren. |
24 |
En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken,en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij aan Abraham,Izak en Jakob gezworen heeft. |
25 |
En Jozef deed de zonen van Israel zweren, zeggende: God zal u gewisselijkbezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren! |








