
Het boek Exodus 1 opent met een terugblik op de afstammelingen van Jakob die zich in Egypte hadden gevestigd. In de loop der tijd groeit het volk van Israël aanzienlijk in aantal, wat leidt tot angst bij de Egyptenaren. Dit hoofdstuk beschrijft de politieke veranderingen, onderdrukking, en de maatregelen die genomen worden om de groei van het volk Israël tegen te houden.
De toename van Israël in Egypte
Exodus 1:1-7 introduceert de nakomelingen van Jakob, die met hun gezinnen naar Egypte kwamen. Aanvankelijk waren zij met zeventig zielen, maar na verloop van tijd worden de Israëlieten zeer talrijk en sterk. Dit leidde ertoe dat het hele land met hen vervuld werd.
De angst van Egypte en de onderdrukking
In Exodus 1:8-14 wordt beschreven hoe een nieuwe farao opstaat, die Jozef niet gekend heeft. Hij ziet de groei van het volk Israël als een bedreiging en besluit hen te onderdrukken met harde arbeid. De Israëlieten moeten zware lasten dragen en bouwen schatsteden voor de farao, namelijk Pitom en Raämses. Ondanks deze onderdrukking blijft het volk zich vermenigvuldigen, wat de angst van de Egyptenaren alleen maar vergroot.
Poging tot bevolkingsbeperking
Exodus 1:15-22 verhaalt hoe de farao de Hebreeuwse vroedvrouwen, Sifra en Pua, beveelt om alle jongetjes bij de geboorte te doden, maar de meisjes te laten leven. De vroedvrouwen vrezen echter God en weigeren dit bevel uit te voeren. Als rechtvaardiging geven zij aan dat de Hebreeuwse vrouwen sterk zijn en al gebaard hebben voordat de vroedvrouw arriveert. God beloont hun trouw met voorspoed en gezinnen. Uiteindelijk beveelt farao zijn volk om alle pasgeboren Hebreeuwse jongetjes in de rivier te werpen.
Exodus 1
| 1 | Dit nu zijn de namen der zonen van Israel, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob;zij kwamen er in, elk met zijn huis. |
| 2 | Ruben, Simeon, Levi, en Juda; |
| 3 | Issaschar, Zebulon, en Benjamin; |
| 4 | Dan en Nafthali, Gad en Aser. |
| 5 | Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen;doch Jozef was in Egypte. |
| 6 | Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broeders, en al dat geslacht, |
| 7 | Zo werden de kinderen Israels vruchtbaar en wiesen overvloedig, en zijvermeerderden, en werden gans zeer machtig, zodat het land met hen vervuldwerd. |
| 8 | Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had; |
| 9 | Die zeide tot zijn volk: Ziet, het volk der kinderen Israels is veel, ja, machtiger danwij. |
| 10 | Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het nietvermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook nietvervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. |
| 11 | En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hunlasten; want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Raamses. |
| 12 | Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer hetwies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israels. |
| 13 | En de Egyptenaars deden de kinderen Israels dienen met hardigheid. |
| 14 | Zodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem en intichelstenen, en met allen dienst op het veld, met al hun dienst, dien zij hen dedendienen met hardigheid. |
| 15 | Daarenboven sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen der Hebreinnen,welker ener naam Sifra, en de naam der andere Pua was; |
| 16 | En zeide: Wanneer gij de Hebreinnen in het baren helpt, en ziet haar op destoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haarleven! |
| 17 | Doch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet, gelijk als de koning vanEgypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de knechtjes in het leven. |
| 18 | Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen, en zeide tot haar: Waaromhebt gij deze zaak gedaan, dat gij de knechtjes in het leven behouden hebt? |
| 19 | En de vroedvrouwen zeiden tot Farao: Omdat de Hebreinnen niet zijn gelijk deEgyptische vrouwen; want zij zijn sterk; eer de vroedvrouw tot haar komt, zohebben zij gebaard. |
| 20 | Daarom deed God aan de vroedvrouwen goed; en dat volk vermeerderde, en hetwerd zeer machtig. |
| 21 | En het geschiedde, dewijl de vroedvrouwen God vreesden, zo bouwde Hij haarhuizen. |








