Ezechiël 23 beschrijft hoe Israël en Juda Gods verbond verlieten en de weg gingen van afgoderij en politieke verbonden met heidense volken. Het hoofdstuk schildert dit met krachtige beeldspraak om duidelijk te maken hoe ernstig hun ongehoorzaamheid was. De tekst laat zien dat God rechtvaardig oordeelt, maar ook dat Hij zijn volk blijft oproepen om tot Hem terug te keren.
Het hoofdstuk gebruikt de beelden van twee zusters, Oholah en Oholibah, om de geschiedenis van Samaria en Jeruzalem te duiden. Hun keuzes en gevolgen maken zichtbaar hoe ver het volk zich van de Heere had verwijderd. De boodschap blijft waarschuwend en tegelijk roepend tot trouw aan God.
Oholah en Oholibah: symbolen van afwijking
De betekenis van de twee zusters
Het hoofdstuk opent met de voorstelling van twee zusters die jong begonnen met ontrouw. Oholah staat voor Samaria, de hoofdstad van het noordelijke tienstammenrijk, terwijl Oholibah Jeruzalem verbeeldt. De namen onderstrepen hun positie: Oholah betekent haar tent, verwijzend naar haar eigen gekozen weg, en Oholibah betekent Mijn tent is in haar, een aanduiding dat God Jeruzalem als plaats van zijn heiligdom had aangewezen. Deze symboliek maakt duidelijk dat beiden een voorrecht ontvingen, maar anders met Gods aanwezigheid omgingen.
Samaria’s afdwaling naar Assyrië
In Ezechiël 23 wordt beschreven hoe Samaria zich liet aangetrokken voelen tot de Assyriërs, die hier worden afgebeeld als machtige krijgers. Deze aantrekkingskracht staat symbool voor politieke verbonden en religieuze beïnvloeding die Israël steeds verder van de Heere wegvoerden. Samaria nam gewoonten en afgoden over en vertrouwde op buitenlandse macht in plaats van op Gods bescherming. Het oordeel kwam toen Assyrië het rijk veroverde en het volk in ballingschap voerde.
Jeruzalems nog diepere ontrouw
Oholibah, Jeruzalem, wordt in het hoofdstuk beschreven als nog verder afgedwaald. Hoewel zij Gods heiligdom droeg, wendde zij zich eveneens tot buitenlandse machten, waaronder Assyriërs en later de Babyloniërs. De beeldspraak in de tekst benadrukt hoe Jeruzalem begeerde wat deze volken boden en bereid was om dezelfde vormen van afgoderij en morele losbandigheid over te nemen. Jeruzalem herhaalde niet alleen de fouten van Samaria, maar vergrootte ze.
De groeiende invloed van heidense machten
Bondgenootschappen als struikelblok
Ezechiël 23 beschrijft hoe politieke verbonden met heidense rijken steeds meer invloed kregen op het religieuze leven in Juda. De keuze voor afhankelijkheid van andere volken leidde tot afgodendienst, rituelen en levenswijzen die haaks stonden op Gods geboden. Deze verbonden gaven schijnzekerheid, maar brachten geen redding. De tekst laat zien dat vertrouwen op menselijke macht altijd tekortschiet wanneer het volk de Heere negeert.
De rol van de Babyloniërs
Naast de Assyriërs spelen de Babyloniërs een centrale rol. Jeruzalem keek naar hen met bewondering, maar toen Juda uiteindelijk bevrijding bij hen zocht, werden deze machthebbers juist het instrument van Gods oordeel. De Babyloniërs verwoestten de stad, namen de bewoners gevangen en maakten een einde aan de onafhankelijkheid van Juda. Zo werd zichtbaar dat de keuzes van het volk hun eigen ondergang hadden voorbereid.
Oordeel over Oholah en Oholibah
De rechtvaardigheid van Gods handelen
Het hoofdstuk benadrukt dat Gods oordeel niet willekeurig is. De misstappen van Samaria en Jeruzalem waren langdurig, bewust en herhaald, ondanks waarschuwingen van profeten. De straf die volgt, wordt beschreven in termen van dezelfde volken waarmee zij verbonden zochten. De Heere gebruikt hen als middel om de gevolgen van hun daden zichtbaar te maken. Hierdoor wordt duidelijk dat afwijking van Gods wegen ernstige gevolgen heeft.
De openbaarmaking van hun daden
Het blootleggen van de daden van de twee zusters staat symbool voor het oordeel dat niets verborgen laat. De tekst maakt duidelijk dat zowel Samaria als Jeruzalem publiekelijk zouden ervaren wat de gevolgen waren van hun ontrouw. Deze openbaring dient niet alleen als straf, maar ook als waarschuwing voor toekomstige generaties. Het toont hoe belangrijk het is dat het volk heilig leeft en zich aan Gods verbond houdt.
De geestelijke les van Ezechiël 23
De roep tot trouw
Hoewel het hoofdstuk voornamelijk gericht is op oordeel, draagt het een duidelijke onderliggende boodschap van oproep en bekering. De ernst van de beschrijving dient als spiegel voor het volk, zodat het begrijpt hoe ver het is afgedwaald. De Heere laat zien wat het gevolg is wanneer men de band met Hem verbreekt en Zijn liefde inruilt voor afgoden die geen leven geven.
De waarde van het verbond
De relatie tussen God en zijn volk wordt in de Schrift vaak voorgesteld als een verbond dat trouw, liefde en toewijding vraagt. Ezechiël 23 laat zien hoe kostbaar dit verbond is en hoe pijnlijk het breekt wanneer het volk een andere weg kiest. Tegelijkertijd bevestigt het de rechtvaardigheid van God, die het kwade niet laat voortbestaan maar recht doet overeenkomstig zijn heilige karakter.
De blijvende actualiteit
De boodschap van Ezechiël 23 heeft blijvende betekenis. Het herinnert lezers eraan dat vertrouwen op menselijke macht, rijkdom of invloeden van buitenaf nooit de plaats kan innemen van vertrouwen op God. De roep tot trouw blijft klinken voor ieder die bereid is zich te laten leiden door Gods geboden. Het hoofdstuk nodigt uit tot zelfonderzoek, tot berouw en tot het zoeken van de weg van gehoorzaamheid en geloof.
Conclusie
Ezechiël 23 gebruikt de beelden van twee zusters om te laten zien hoe diep Samaria en Jeruzalem waren afgeweken van de weg van de Heere. Hun verbonden met heidense volken en hun keuze voor afgoderij brachten oordeel over beide rijken. De boodschap blijft dat God rechtvaardig is en zijn volk oproept tot trouw, gehoorzaamheid en ware toewijding.
Laatst bijgewerkt op 20-11-2025
Ezechiël 23
1 Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2 Mensenkind! daar waren twee vrouwen, dochteren van een moeder.
3 Dezen hoereerden in Egypte; in haar jeugd hoereerden zij; daar werden haar borsten gedrukt, en daar werden de tepelen haars maagdoms betast.
4 Haar namen nu waren: Ohola, de grootste, en Oholiba, haar zuster; en zij werden de Mijne, en baarden zonen en dochteren; dit waren haar namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem Oholiba.
5 Ohola nu hoereerde, zijnde onder Mij; en zij werd verliefd op haar boelen, op de Assyriërs, die nabij waren;
6 Bekleed met hemelsblauw, vorsten en overheden, altemaal gewenste jongelingen, ruiteren, rijdende op paarden.
7 Alzo dreef zij haar hoererijen met dezelve, die allen de keure der kinderen van Assur waren; en met allen, op dewelke zij verliefd was, met al derzelver drekgoden, verontreinigde zij zich.
8 Zij verliet ook haar hoererijen niet, gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de tepelen haars maagdoms betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort.
9 Daarom gaf Ik haar in de hand van haar boelen over, in de hand der kinderen van Assur, op dewelke zij verliefd was.
10 Dezen ontdekten haar schaamte, haar zonen en haar dochteren namen zij weg, maar haar doodden zij met het zwaard; en zij kreeg een naam onder de vrouwen, nadat men gerichten over haar geoefend had.
11 Als haar zuster, Oholiba, dit zag, zo verdierf zij haar minne nog meer dan zij, en haar hoererijen meer dan de hoererijen van haar zuster.
12 Zij werd verliefd op de kinderen van Assur, de vorsten en overheden, die nabij waren, bekleed met volkomen sieraad, ruiteren, rijdende op paarden, altemaal gewenste jongelingen.
13 Toen zag Ik, dat zij verontreinigd was; zij hadden beiden enerlei weg.
14 Ja, zij deed tot haar hoererijen nog meer toe; want toen zij geschilderde mannen aan den wand zag, de beelden der Chaldeeën, geschilderd met menie,
15 Gegord met een gordel aan hun lenden, hebbende overvloedig geverfde hoeden op hun hoofden, die allen in het aanzien hoofdmannen waren, naar de gelijkenis der kinderen van Babel, van Chaldea, het land hunner geboorte;
16 Zo werd zij op dezelve verliefd met het opzien van haar ogen, en zij zond boden tot hen, naar Chaldea.
17 De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot het leger der minne, en verontreinigden haar met hun hoererij; ook verontreinigde zij zich met hen; daarna werd haar ziel van hen afgetrokken.
18 Alzo ontdekte zij haar hoererijen, en ontdekte haar schaamte; toen werd Mijn ziel van haar afgetrokken, gelijk als Mijn ziel was afgetrokken van haar zuster.
19 Doch zij vermenigvuldigde haar hoererijen, gedenkende aan de dagen van haar jeugd, als zij gehoereerd had in het land van Egypte.
20 En zij werd verliefd meer dan derzelver bijwijven, welker vlees is als het vlees der ezelen, en welker vloed is als de vloed der paarden.
21 Alzo hebt gij weder opgehaald de schandelijke daad uwer jeugd, als die van Egypte uw tepelen betastten, vanwege de borsten uwer jeugd.
22 Daarom, o Oholiba! alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw boelen, van welke uw ziel is afgetrokken, tegen u verwekken, en Ik zal hen van rondom tegen u aanbrengen.
23 De kinderen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongelingen, die allen vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en vermaarde lieden, die allen te paard rijden.
24 Die zullen tegen u komen met karren, wagenen en wielen, en met een vergadering van volken, rondassen, en schilden, en helmen; zij zullen zich rondom tegen u zetten; en Ik zal voor hun aangezicht het gericht stellen, en zij zullen u richten naar hun rechten.
25 En Ik zal Mijn ijver tegen u zetten, dat zij in grimmigheid met u zullen handelen; zij zullen uw neus en uw oren afnemen, en het laatste van u zal door het zwaard vallen; zij zullen uw zonen en uw dochteren wegnemen, en het laatste van u zal door het vuur verteerd worden.
26 Zij zullen u ook uw klederen uittrekken, en uw sieraadtuig wegnemen.
27 Zo zal Ik uw schandelijkheid van u doen ophouden, mitsgaders uw hoererij, gebracht uit Egypteland; en gij zult uw ogen naar hen niet opheffen, en aan Egypte niet meer gedenken.
28 Want alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal u overgeven in de hand dergenen, die gij haat, in de hand dergenen, van dewelken uw ziel is afgetrokken.
29 Die zullen met u handelen uit haat, en al uw arbeid wegnemen, en u naakt en bloot laten, dat uw hoerenschaamte ontdekt worde, mitsgaders uw schandelijkheid en uw hoererijen.
30 Deze dingen zal men u doen, dewijl gij de heidenen nagehoereerd hebt, en omdat gij u met hun drekgoden verontreinigd hebt.
31 In den weg uwer zuster hebt gij gewandeld, daarom zal Ik haar beker in uw hand geven.
32 Alzo zegt de Heere HEERE: Gij zult den beker uwer zuster drinken, die diep en wijd is; gij zult tot belaching en spot worden; de beker houdt veel in.
33 Van dronkenschap en jammer zult gij vol worden; de beker van uw zuster Samaria is een beker der verwoesting en der eenzaamheid.
34 Gij zult hem drinken en uitzuigen, en zijn scherven zult gij brijzelen, en uw borsten zult gij afrukken; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
35 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij Mijner vergeten, en Mij achter uw rug geworpen hebt, zo draagt gij ook uw schandelijkheid en uw hoererijen.
36 En de HEERE zeide tot mij: Mensenkind! zoudt gij Ohola en Oholiba recht geven? Ja, vertoon haar haar gruwelen.
37 Want zij hebben overspel gedaan, en er is bloed in haar handen; en zij hebben met haar drekgoden overspel gedaan; daartoe hebben zij ook haar kinderen, die zij Mij gebaard hadden, voor hen door het vuur laten doorgaan, tot spijze.
38 Nog hebben zij Mij dit gedaan; zij hebben Mijn heiligdom ten zelven dage verontreinigd, en Mijn sabbatten ontheiligd.
39 Want als zij hun kinderen hun drekgoden geslacht hadden, zo kwamen zij op dienzelven dag in Mijn heiligdom, om dat te ontheiligen; en ziet, alzo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis.
40 Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot dewelken als een bode gezonden was, ziet, zo kwamen zij, voor dewelken gij u wiest, uw ogen blankettet en u met sieraad versierdet;
41 En gij zat op een heerlijk bed, voor hetwelk een tafel toegericht was, en op hetwelk gij Mijn reukwerk en Mijn olie gezet hadt.
42 Als nu het geruis der menigte daarop stil was, zo zonden zij tot mannen uit de menigte der mensen, en daar werden wijnzuipers aangebracht uit de woestijn; die deden armringen aan haar handen, en een sierlijke kroon op haar hoofden.
43 Toen zeide Ik van deze, die van overspelerijen verouderd was: Nu zullen zij hoereren de hoererijen dezer hoer, en die ook.
44 En men ging tot haar in, gelijk men ingaat tot een vrouw, die een hoer is; alzo gingen zij in tot Ohola en tot Oholiba, die schandelijke vrouwen.
45 Rechtvaardige mannen dan, die zullen haar richten naar het recht der overspeelsters, en naar het recht der bloedvergietsters; want zij zijn overspeelsters, en bloed is in haar handen.
46 Want alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal een vergadering tegen haar doen opkomen, en zal ze ter beroering en ten roof overgeven.
47 En de vergadering zal ze met stenen stenigen, en dezelve met hun zwaarden nederhouwen; haar zonen en haar dochteren zullen zij doden, en haar huizen met vuur verbranden.
48 Alzo zal Ik de schandelijkheid uit het land doen ophouden; opdat alle vrouwen onderwezen worden, dat zij naar uw schandelijkheid niet doen.
49 Alzo zullen zij uw schandelijkheid op u leggen, en gij zult de zonden uwer drekgoden dragen; en gijlieden zult weten, dat Ik de Heere HEERE ben.









