
Exodus 2 bouwt voort op de onderdrukking van het volk Israël in Egypte en introduceert Mozes, de centrale figuur in het bevrijdingsverhaal. We zien zijn wonderlijke redding als baby, zijn jeugd, zijn vlucht naar Midian, en hoe God begint te handelen achter de schermen.
De geboorte en redding van Mozes
Het hoofdstuk opent met de geboorte van Mozes, een jongen uit de stam van Levi. Zijn moeder verbergt hem drie maanden, omdat ze ziet dat hij een mooi kind is. Wanneer ze hem niet langer kan verbergen, plaatst ze hem in een biezen mandje en zet het neer in de rivier. De dochter van Farao vindt het kind, krijgt medelijden en adopteert hem als haar zoon, met de naam “Mozes” – “uit het water getrokken”. Mozes’ eigen moeder mag hem tijdelijk zogen nadat zijn zus, Mirjam, slim heeft voorgesteld een voedster te halen.
Mozes vlucht naar Midian
Als Mozes volwassen is, gaat hij op zoek naar zijn volksgenoten en ziet hoe ze onderdrukt worden. Wanneer hij ziet hoe een Egyptenaar een Hebreeër slaat, doodt hij de Egyptenaar en verbergt het lichaam. De volgende dag probeert hij vrede te stichten tussen twee Hebreeuwse mannen, maar wordt verweten dat hij zich als rechter opstelt. Het wordt duidelijk dat zijn daad bekend is geworden. Farao hoort ervan en wil Mozes doden, waarop Mozes vlucht naar het land Midian.
Mozes vestigt zich in Midian
In Midian ontmoet Mozes de dochters van Rehuel (ook Jethro genoemd), priester van Midian, bij een waterput. Mozes verdedigt hen tegen herders en helpt hun vee te drenken. Hun vader nodigt hem uit en geeft hem uiteindelijk zijn dochter Zippora tot vrouw. Zij krijgen een zoon, Gersom, wat “vreemdeling daar” betekent, verwijzend naar Mozes’ status in een vreemd land.
Gods verbond en zorg
Aan het einde van het hoofdstuk overlijdt de farao. Het volk Israël blijft zuchten onder de slavernij. Hun geklaag stijgt op tot God. De verzen sluiten af met de krachtige boodschap dat God hun verdrukking ziet, hoort en herinnert aan Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob. Deze goddelijke aandacht vormt de aanloop naar de roeping van Mozes in het volgende hoofdstuk.
Exodus 2
| 1 | En een man van het huis van Levi ging, en nam een dochter van Levi. |
| 2 | En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hijschoon was, zo verborg zij hem drie maanden. |
| 3 | Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje vanbiezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin, enlegde het in de biezen, aan den oever der rivier. |
| 4 | En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden. |
| 5 | En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haarjonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het middenvan de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen. |
| 6 | Toen zij het open deed, zo zag zij dat knechtje; en ziet, het jongsken weende; enzij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zeide: Dit is een van deknechtjes der Hebreen! |
| 7 | Toen zeide zijn zuster tot Farao’s dochter: Zal ik heengaan, en u eenvoedstervrouw uit de Hebreinnen roepen, die dat knechtje voor u zoge? |
| 8 | En de dochter van Farao zeide tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, enriep des knechtjes moeder. |
| 9 | Toen zeide Farao’s dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij; ikzal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het. |
| 10 | En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao’s dochter,en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik hebhem uit het water getogen. |
| 11 | En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitgingtot zijn broederen, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man eenHebreeuwsen man uit zijn broederen sloeg. |
| 12 | En hij zag herwaarts en gindswaarts; en toen hij zag, dat er niemand was, zoversloeg hij den Egyptenaar, en verborg hem in het zand. |
| 13 | Des anderen daags ging hij wederom uit, en ziet, twee Hebreeuwse mannentwistten; en hij zeide tot den ongerechte: Waarom slaat gij uw naaste? |
| 14 | Hij dan zeide: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit,om mij te doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes,en zeide: Voorwaar, deze zaak is bekend geworden! |
| 15 | Als nu Farao deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; doch Mozes vloodvoor Farao’s aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij eenwaterput. |
| 16 | En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vuldende drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken. |
| 17 | Toen kwamen de herders, en zij dreven haar van daar; doch Mozes stond op, enverloste ze, en drenkte haar kudden. |
| 18 | En toen zij tot haar vader Rehuel kwamen, zo sprak hij: Waarom zijt gij heden zohaast wedergekomen? |
| 19 | Toen zeiden zij: Een Egyptisch man heeft ons verlost uit de hand der herderen; enhij heeft ook overvloedig voor ons geput, en de kudde gedrenkt. |
| 20 | En hij zeide tot zijn dochters: Waar is hij toch, waarom liet gij den man nu gaan?roept hem, dat hij brood ete. |
| 21 | En Mozes bewilligde bij den man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora; |
| 22 | Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land. |
| 23 | En het geschiedde na vele dezer dagen, als de koning van Egypte gestorven was,dat de kinderen Israels zuchtten en schreeuwden over den dienst; en hun gekrijtover hun dienst kwam op tot God. |
| 24 | En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob. |
| 25 | En God zag de kinderen Israels aan, en God kende hen. |








