Home Bijbel dagelijks Oude Testament 02 Exodus Exodus 39: De heilige kleding voor de priesters voltooid

Exodus 39: De heilige kleding voor de priesters voltooid

0
1424
Streetart-muurschildering van priesters in heilige kleding uit Exodus 39, met barokke details en kleurrijke graffiti-achtergrond.
De heilige gewaden voor Aäron en zijn zonen afgebeeld in een expressieve barokke streetartstijl, gebaseerd op Exodus 39.

Exodus 39 beschrijft de voltooiing van het werk aan de heilige kleding voor Aaron en zijn zonen, evenals het afronden van de tabernakel en haar inrichting. Het volk van Israël heeft gehoorzaam alle opdrachten van de HEERe uitgevoerd onder leiding van Bezalel en Aholiab. Het hoofdstuk benadrukt de zorgvuldigheid, gehoorzaamheid en toewijding waarmee het heilige werk is volbracht.

De kleding van de hogepriester

Bezalel en zijn medewerkers maken de efod van goud, hemelsblauw, purper, scharlaken en fijn getweernd linnen. De gouden draden worden kunstig ingeweven. Op de schouderstukken worden twee onyxstenen bevestigd, waarin de namen van de twaalf stammen van Israël zijn gegraveerd – zes aan elke kant – als een teken dat de hogepriester het volk voor Gods aangezicht draagt.

Ook wordt het borstlap vervaardigd, rijkelijk versierd met twaalf edelstenen, elk met de naam van een stam van Israël. Het borstlap wordt met gouden kettingen aan de efod bevestigd. Daarnaast maken zij de riem, de blauwe mantel met granaatappels en gouden belletjes, het onderkleed, de tulband en de sierlijke hoofdversiering.

Het gouden voorhoofdplaatje

Het voorhoofdplaatje voor de hogepriester wordt gemaakt van zuiver goud, met de woorden: “De HEILIGHEID DES HEEREN.” Het wordt met een hemelsblauw snoer aan de tulband bevestigd. Dit herinnert eraan dat de hogepriester geheiligd is voor de dienst aan God en in zuiverheid moet optreden namens het volk.

Voltooiing van het tabernakelwerk

Na het voltooien van de priesterkleding ronden Bezalel, Aholiab en hun team het gehele werk aan de tabernakel af. Elk onderdeel wordt precies gemaakt zoals de HEERe het Mozes op de berg heeft getoond. Er wordt niets aan toegevoegd of weggelaten. De materialen zijn kostbaar en het vakwerk is voortreffelijk.

De arbeiders brengen al het gemaakte werk bij Mozes: de tabernakel, de ark, het verzoendeksel, de tafel, de kandelaar, het altaar, het wasvat, de voorhof en alle gereedschappen en kleding. Alles is klaar voor gebruik.

Mozes keurt het werk goed

Mozes inspecteert alle gemaakte onderdelen van de tabernakel en de priesterkleding. Hij constateert dat het volk alles precies heeft uitgevoerd zoals de HEERe bevolen had. Als teken van goedkeuring en zegen spreekt Mozes een zegen uit over het volk en hun werk.

Deze afsluiting van het werk toont aan dat gehoorzaamheid aan God leidt tot Zijn goedkeuring en zegen. De gemeenschap met God is mogelijk gemaakt door nauwgezette toewijding aan Zijn heilige voorschriften.

Conclusie

Exodus 39 is het hoogtepunt van maanden van voorbereiding, toewijding en vakmanschap. De voltooiing van de kleding en het heiligdom toont dat Gods opdracht niet alleen ontvangen, maar ook trouw uitgevoerd is. Dit hoofdstuk roept ons op tot gehoorzaamheid, eerbied en nauwkeurigheid in onze dienst aan God.


Exodus 39

1

Zij maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige klederen, die voor Aaron waren,gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.

2

Aldus maakte hij den efod, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.

3

En zij rekten uit de dunne platen van goud, en sneden het tot draden, om te doen in het midden van het hemelsblauw, en in het midden van het purper, en in hetmidden van het scharlaken, en in het midden van het fijn linnen, van het allerkunstelijkste werk.

4

Zij maakten samenvoegende schouderbanden daaraan; aan deszelfs beide einden werd hij samengevoegd.

5

En de kunstelijke riem zijns efods, die daarop was, was gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweerndlinnen, gelijk als de HEERE aan Mozes bevolen had.

6

Zij bereidden ook de sardonixstenen, omvat in gouden kastjes, als zegelgravering gegraveerd, met de namen der zonen van Israel.

7

En hij zette ze op de schouderbanden des efods, tot stenen der gedachtenis voor de kinderen Israels, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.

8

Hij maakte ook de borstlap van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk des efods, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.

9

Hij was vierkant; zij maakten den borstlap dubbel; een span was zijn lengte, en een span was zijn breedte, dubbel zijnde.

10

En zij vulden daarin vier rijen stenen: een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.

11

En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier en een Diamant.

12

En de derde rij van een Hyacinth, Agaat, en Amethyst.

13

En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; omvat in gouden kastjes in hun vullingen.

14

Deze stenen nu, met de namen der zonen van Israel, waren twaalf, met hun namen, met zegelgravering; ieder met zijn naam, naar de twaalf stammen.

15

Zij maakten ook aan den borstlap gelijk-eindigende ketentjes, van gedraaid werk, uit louter goud.

16

En zij maakten twee gouden kastjes, en twee gouden ringen; en zij zetten die twee ringen aan de beide einden des borstlaps.

17

En zij zetten de twee gedraaide gouden ketentjes aan de twee ringen, aan de einden van den borstlap.

18

Doch de twee andere einden der gedraaide ketenen zetten zij aan de twee kastjes, en zij zetten ze aan de schouderbanden des efods, recht op de voorste zijde vandien.

19

Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden des borstlaps zetten, inwendig aan zijn boord, die aan de zijde des efods is.

20

Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetten aan de twee schouderbanden van den efod, beneden, aan deszelfs voorste zijde, tegenover zijn andere voege,boven den kunstelijke riem des efods.

21

En zij bonden den borstlap met zijn ringen aan de ringen van den efod, met een hemelsblauw snoer, dat hij op den kunstelijke riem van den efod was; opdat deborstlap van den efod niet afgescheiden wierd, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.

22

En hij maakte den mantel des efods van geweven werk, geheel van hemelsblauw.

23

En het gat des mantels was in deszelfs midden, als het gat eens pantsiers; dit gat had een boord rondom, dat het niet gescheurd wierd.

24

En aan de zomen des mantels maakten zij granaatappelen van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, getweernd.

25

Zij maakten ook schelletjes van louter goud, en zij stelden de schelletjes tussen de granaatappelen, aan de zomen des mantels rondom, tussen de granaatappelen;

26

Dat er een schelletje, daarna een granaatappel was; wederom een schelletje, en een granaatappel; aan de zomen des mantels rondom; om te dienen, gelijk als deHEERE aan Mozes geboden had.

27

Zij maakten ook de rokken van fijn linnen, van geweven werk, voor Aaron en voor zijn zonen;

28

En den hoed van fijn linnen, en de sierlijke mutsen van fijn linnen, en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen;

29

En den gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.

30

Zij maakten ook de plaat van de kroon der heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift, met zegelgravering: De HEILIGHEID DES HEEREN.

31

En zij hechtten een snoer van hemelsblauw daaraan, om aan den hoed van boven te hechten, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.

32

Aldus werd al het werk des tabernakels, van de tent der samenkomst voleind; en de kinderen Israels hadden het gemaakt naar alles, wat de HEERE aan Mozesgeboden had; alzo hadden zij het gemaakt.

33

Daarna brachten zij den tabernakel tot Mozes, de tent, en al haar gereedschap, haar haakjes, haar berderen, haar richelen, en haar pilaren, en haar voeten;

34

En het deksel van roodgeverfde ramsvellen, en het deksel van dassenvellen, en den voorhang van het deksel;

35

De ark der getuigenis, en haar handbomen, en het verzoendeksel;

36

De tafel, met al haar gereedschap, en de toonbroden;

37

De louteren kandelaar met zijn lampen, de lampen, die men toerichten moest, en al deszelfs gereedschap, en de olie tot het licht;

38

Verder het gouden altaar, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen, en het deksel van de deur der tent.

39

Het koperen altaar, en den koperen rooster, dien het heeft, deszelfs handbomen, en al zijn gereedschap; het wasvat en zijn voet;

40

De behangselen des voorhofs, zijn pilaren en zijn voeten, en het deksel van de poort des voorhofs, zijn zelen, en zijn pennen, en al het gereedschap van den dienstdes tabernakels, tot de tent der samenkomst;

41

De ambtsklederen, om in het heiligdom te dienen, de heilige klederen van de priester Aaron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen.

42

Naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had, alzo hadden de kinderen Israels het ganse werk gemaakt.

43

Mozes nu bezag het ganse werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, gelijk als de HEERE geboden had; alzo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.