Home Bijbel dagelijks Oude Testament 02 Exodus Exodus 3: Mozes’ roeping door God

Exodus 3: Mozes’ roeping door God

0
1087
Streetart-barokmuur toont Mozes die bij de brandende doornstruik wordt geroepen door God, met vurige wolken op de achtergrond.
Barokke streetartmuurschildering van Mozes’ ontmoeting met de brandende struik, waarin God hem roept als bevrijder van Israël.

Exodus 3 is een belangrijk hoofdstuk waarin God zich openbaart aan Mozes via de brandende braamstruik. Dit moment markeert het begin van Gods plan om het volk Israël te bevrijden uit Egypte. Mozes krijgt hierin zijn goddelijke roeping en wordt voorbereid op zijn taak als leider van Israël.

De Openbaring bij de Braamstruik

Mozes hoedt de schapen van zijn schoonvader Jethro in de woestijn bij de berg Horeb. Daar ziet hij een wonderlijk schouwspel: een braamstruik die in brand staat maar niet verbrandt. Wanneer Mozes dichterbij komt om dit verschijnsel te bekijken, roept God hem uit het midden van het vuur. God maakt zich bekend als de God van Abraham, Isaak en Jakob. Mozes is overweldigd en verbergt zijn gezicht uit eerbied.

Gods Roeping van Mozes

God vertelt Mozes dat Hij de ellende van het volk Israël in Egypte heeft gezien en hun geroep om hulp heeft gehoord. Daarom is Hij gekomen om hen te bevrijden en naar een goed en ruim land te brengen dat overvloeit van melk en honing. God draagt Mozes op om naar Farao te gaan en het volk uit Egypte te leiden.

Mozes twijfelt echter aan zichzelf en vraagt: “Wie ben ik dat ik naar Farao zou gaan?” God belooft hem bij te staan en geeft hem een teken: wanneer hij het volk uit Egypte heeft geleid, zal hij God dienen op deze berg.

De Naam van God

Mozes vraagt wat hij moet zeggen als de Israëlieten vragen naar de naam van de God die hem heeft gezonden. God antwoordt: “IK BEN DIE IK BEN” (JHWH), waarmee Hij Zijn eeuwige, zelfbestaande aard benadrukt. Dit is de naam die Mozes aan het volk moet verkondigen.

God draagt Mozes op om de oudsten van Israël bijeen te roepen en hen Gods belofte van bevrijding uit Egypte mede te delen. Hij zegt dat Farao het volk niet vrijwillig zal laten gaan, maar dat Hij Egypte met Zijn machtige hand zal slaan. Daarna zal het volk met rijkdommen vertrekken.


Exodus 3

1

En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian;en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg Gods, aanHoreb.

 

2

En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van eenbraambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braamboswerd niet verteerd.

 

3

En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wenden, en bezien dat grote gezicht,waarom het braambos niet verbrandt.

 

4

Toen de HEERE zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep Godtot hem uit het midden van het braambos, en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide:Zie, hier ben ik!

 

5

En Hij zeide: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want deplaats, waarop gij staat, is heilig land.

 

6

Hij zeide voorts: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God vanIzak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesdeGod aan te zien.

 

7

En de HEERE zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelkin Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hunsmarten bekend.

 

8

Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren,en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiendevan melk en honig, tot de plaats der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten.

 

9

En nu, zie, het geschrei der kinderen Israels is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmede de Egyptenaars hen verdrukken.

 

10

Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat gij Mijn volk (de kinderenIsraels) uit Egypte voert.

 

11

Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan; en dat ik dekinderen Israels uit Egypte zou voeren?

 

12

Hij dan zeide: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teken zijn, dat Ik ugezonden heb: wanneer gij dit volk uit Egypte geleid hebt, zult gijlieden Goddienen op dezen berg.

 

13

Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israels, en zegtot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen:Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen?

 

14

En God zeide tot Mozes: Ik ZAL ZIJN,, Die Ik ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzozult gij tot de kinderen Israels zeggen: Ik ZAL ZIJN heeft mij tot uliedengezonden!

 

15

Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen:De HEERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, ende God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk,en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.

 

16

Ga heen, en verzamel de oudsten van Israel, en zeg tot hen: De HEERE, de Goduwer vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende:Ik heb ulieden getrouwelijk bezocht, en hetgeen ulieden in Egypte is aangedaan;

 

17

Daarom heb Ik gezegd: Ik zal ulieden uit de verdrukking van Egypte opvoeren,tot het land der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en derFerezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten; tot het land, vloeiende van melken honig.

 

18

En zij zullen uw stem horen; en gij zult gaan, gij en de oudsten van Israel, tot denkoning van Egypte, en gijlieden zult tot hem zeggen: De HEERE, de God derHebreen, is ons ontmoet; zo laat ons nu toch gaan den weg van drie dagen in dewoestijn, opdat wij den HEERE, onzen God, offeren!

 

19

Doch Ik weet, dat de koning van Egypte ulieden niet zal laten gaan, ook niet dooreen sterke hand.

 

20

Want Ik zal Mijn hand uitstrekken, en Egypte slaan met al Mijn wonderen, die Ikin het midden van hetzelve doen zal; daarna zal hij ulieden laten vertrekken.

 

21

En Ik zal dit volk genade geven in de ogen der Egyptenaren; en het zalgeschieden, wanneer gijlieden uitgaan zult, zo zult gij niet ledig uitgaan.

 

22

Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisenzilveren vaten, en gouden vaten, en klederen; die zult gijlieden op uw zonen, en opuw dochteren leggen, en gij zult Egypte beroven.