In 2 Kronieken 28 verschijnt Achaz als een koning van Juda die wandelde in de wegen van de heidense volken en vele overtredingen beging tegen de Heere. Zijn regering wordt gekenmerkt door afgoderij, moreel verval en zware militaire nederlagen. De hoofdstukken tonen hoe zijn ontrouw leidde tot oordeel, maar ook hoe barmhartigheid zichtbaar bleef in het handelen van anderen.
Achaz volgde niet het voorbeeld van David en stelde hoogten, Baälsbeelden en kinderoffers in. Hierdoor verzwakte Juda geestelijk en politiek. De Heere gaf vijanden macht over hem, waardoor Aram, Israël, Edom en de Filistijnen Juda teisterden. Ondanks zijn nood zocht Achaz hulp bij Assyrië in plaats van bij God, wat zijn situatie nog verder verslechterde.
Achaz wordt koning over Juda
De jonge koning en zijn afwijking van Gods weg
Achaz volgde zijn vader Jotham op toen hij twintig jaar oud was en regeerde zestien jaar in Jeruzalem. Vanaf het begin was duidelijk dat hij niet leefde zoals David, de voorbeeld-koning in trouw aan de Heere. In plaats daarvan richtte hij zich op de praktijken van de omringende volken en gaf hij ruimte aan vormen van afgoderij die lijnrecht tegen de geboden van God ingingen. Zijn keuzes beïnvloedden niet alleen zijn eigen leven, maar ook Juda als geheel, dat steeds verder wegzakte in geestelijke ontrouw.
Achaz maakte gegoten beelden voor de Baäls en stelde offerplaatsen in op elke hoge heuvel en onder iedere groene boom. De tekst vermeldt dat hij zelfs zijn zonen door het vuur liet gaan, een afschuwelijke praktijk die verbonden was met afgoden zoals Moloch en die verboden werd in de wet van Mozes. Deze daden ondermijnden de relatie tussen Juda en de Heere en brachten het volk moreel in verwarring.
Het religieuze en maatschappelijke klimaat
De afgoderij die Achaz invoerde, leidde tot een breuk met de geestelijke traditie van Juda. De voortdurende aanwezigheid van hoogten en altaren verspreid door het land maakte het volk ontvankelijk voor vreemde riten. Daardoor raakte de tempelcultus ondergesneeuwd. De geestelijke identiteit van Juda vervaagde en het volk verloor zijn vertrouwen in de leiding van God. Zo ontstond een omgeving waarin zonden genormaliseerd werden, en het geestelijk besef steeds verder verzwakte.
Deze religieuze achteruitgang had ook maatschappelijke gevolgen. Zonder de morele kaders van de wet ontstond een sfeer van onzekerheid en verdeeldheid. De leiders ontbraken vaak de moed om Achaz te weerstaan, waardoor zijn beleid ongestoord kon voortgaan. Zo werd heel Juda meegesleurd in een neerwaartse spiraal.
Oordelen van God over Juda
De dreiging uit Aram en Israël
Omdat Achaz de Heere verliet, liet God toe dat vijanden macht kregen over Juda. De koning van Aram versloeg Juda en voerde vele gevangenen weg naar Damascus. Tegelijkertijd richtte Pekah, de koning van Israël, grote schade aan in Juda en bracht een verpletterende nederlaag toe. In één dag kwamen honderdduizend dappere mannen om, wat de ernst van Achaz’ zonden onderstreepte en de kwetsbaarheid van het rijk aantoonde.
Daarnaast voerde Israël twee honderdduizend vrouwen, jongens en meisjes uit Juda als gevangenen weg. Deze gebeurtenis benadrukt hoe ver de verdeeldheid tussen Israël en Juda was voortgeschreden, vooral nu het noordelijke rijk zich in ongerechtigheid had verharden en een broedervolk zo wreed behandelde. Toch zou God in deze situatie een onverwachte wending brengen.
Profetische oproep tot barmhartigheid
Terwijl de troepen van Israël de gevangenen naar Samaria brachten, trad de profeet Oded hen tegemoet. Hij wees hen erop dat hoewel de Heere Juda had overgegeven vanwege hun overtredingen, Israël zelf nu schuldig stond aan grote wreedheid. Oded waarschuwde dat hun toorn te hevig was geweest en dat zij, als zij doorgingen, zich meer schuld op de hals haalden.
De leiders van Efraïm luisterden naar de profeet. Mannen als Azaria en Berekja protesteerden en riepen de soldaten op de gevangenen niet binnen te brengen. Vervolgens werden de gevangenen verzorgd: naakt geklede mensen kregen kleding, gewonden werden verbonden en allen werden onder begeleiding teruggebracht naar Jericho. Deze daad van barmhartigheid vormde een glimp van gehoorzaamheid in een moeilijke tijd.
Aanvallen van Edom en de Filistijnen
De rampen bleven zich opstapelen. Edomieten vielen Juda binnen en voerden gevangenen weg. Ook de Filistijnen veroverden steden in de laagvlakte en het zuiden van Juda. Zij vestigden zich in deze gebieden en verzwakten het land nog verder. De opeenstapeling van aanvallen benadrukte dat Juda zonder de bescherming van de Heere volledig kwetsbaar was tegenover zijn vijanden.
Deze voortdurende druk liet zien hoezeer de geestelijke toestand van Juda verbonden was met zijn politieke stabiliteit. Het volk werd voortdurend geconfronteerd met de gevolgen van Achaz’ leiderschap. Toch bleef de oproep tot bekering op de achtergrond aanwezig voor wie wilde luisteren.
Achaz zoekt hulp bij Assyrië
Onvruchtbare politiek en verkeerde vertrouwensbasis
In plaats van terug te keren tot de Heere, zocht Achaz steun bij de koning van Assyrië, Tiglath-Pileser. Hij stuurde hem geschenken uit de tempel en uit de schatten van het koningshuis in de hoop hulp te ontvangen. Maar de Assyrische koning bracht Juda eerder nood dan verlichting. Zijn inmenging leidde niet tot herstel, maar tot verdere onderdrukking en afhankelijkheid.
Deze keuze liet zien hoe ver Achaz verwijderd was van vertrouwen op God. De profeten hadden Israël en Juda herhaaldelijk gewaarschuwd dat allianties met heidense machten geen duurzame veiligheid konden bieden. Achaz zag echter zijn eigen daden niet onder ogen en zocht naar menselijke oplossingen. Hierdoor werd Juda economisch verzwakt en geestelijk nog dieper in het slop getrokken.
Verdere vervolging van heilige orde
Achaz ging nog verder in zijn ontrouw. Ondanks de nood waarin hij verkeerde, vernieuwde hij zijn afgoderij en bracht hij offers aan de goden van Damascus. Hij meende dat deze goden zijn vijanden hadden geholpen en hoopte dat zij hem eveneens voordeel konden brengen. Maar deze gedachte getuigde van blindheid voor de ware oorzaak van zijn problemen.
Hij sloot de deuren van het huis van de Heere en stelde overal in Juda altaren op voor zijn eigen religieuze systeem. Hiermee ontnam hij het volk de toegang tot de tempel en de dienst aan God. De geestelijke schade was diepgaand en tastte het fundament van het geloofsleven aan. De onderdrukking van de ware eredienst maakte de kloof tussen Juda en de Heere compleet.
De geestelijke en nationale terugval onder Achaz
Het verdwijnen van de tempeldienst
De sluiting van de tempeldeuren en het opheffen van de dienst van de priesters bracht Juda in een staat van geestelijke droogte. Zonder offerdienst en zonder het ritme van de eredienst verloor het volk zijn ankerpunt. De priesters werden beroofd van hun taken en de levieten konden hun werk niet uitvoeren. Hierdoor verloor Juda de structuur die het eeuwenlang had gevormd.
De tempel zelf werd verwaarloosd, en de voorhoven raakten vervuld met afgoden en vreemde altaren. Dit maakte duidelijk hoe ver Achaz het volk had laten afdwalen. De geestelijke eenheid, gebaseerd op de dienst aan de Heere, werd vervangen door verdeeldheid en verwarring. De gevolgen daarvan waren zichtbaar in de politieke en militaire kwetsbaarheid.
Het volk onder druk
De bevolking van Juda leed onder de opeenvolgende nederlagen, de plunderingen en de verarming door tribuutbetalingen aan Assyrië. Families waren verscheurd door de deportaties en het verlies aan veiligheid maakte het dagelijks leven onzeker. Deze situatie bracht diepe angst en onrust teweeg, wat het moreel verder aantastte.
In deze moeilijke omstandigheden bleef er echter een kleine rest die trouw bleef aan de wet en aan de dienst van de Heere. Ondanks de druk bleven zij hopen dat er herstel mogelijk was. Hun geloof zou later van betekenis zijn bij de hervormingen onder Hizkia, de zoon van Achaz.
De dood van Achaz en de weg naar herstel
Het einde van een bewogen regering
Achaz stierf na een regering vol beproevingen en geestelijke achteruitgang. Hoewel hij koning was van het volk dat door God was uitverkoren, had hij niet gezocht naar de weg van gehoorzaamheid. Zijn daden brachten Juda in gevaar en tastten de geestelijke identiteit van het land aan. Toch werd zijn dood het beginpunt voor verandering, omdat zijn zoon Hizkia een andere koers zou varen.
Hij werd niet bijgezet in de graven der koningen van Israël, wat aangeeft dat zijn reputatie zwaar aangetast was. Hij werd begraven in Jeruzalem, maar niet op de ereplaats die bestemd was voor koningen die de Heere getrouw hadden gediend. Deze keuze onderstreepte de negatieve erfenis van zijn bewind.
Vooruitblik op hervorming onder Hizkia
Hoewel 2 Kronieken 28 vooral het falen van Achaz beschrijft, legt het tegelijk de basis voor het herstel dat volgen zal. Hizkia, zijn zoon, keerde terug naar de dienst van de Heere en opende de tempeldeuren opnieuw. Zijn regering zou een tijd van vernieuwing brengen waarin Juda terugkeerde naar de geboden van God. Zo toont het verloop van de geschiedenis hoe Gods trouw blijft, zelfs wanneer leiders falen.
De overgang van Achaz naar Hizkia laat zien dat de Heere altijd een weg van genade openhoudt. Ondanks de diepe crisis bleef de mogelijkheid tot terugkeer bestaan. Deze boodschap biedt hoop en nodigt uit tot vertrouwen op Gods leiding in moeilijke tijden.
Conclusie
Achaz’ regering in 2 Kronieken 28 laat zien hoe verwoestend geestelijke ontrouw kan zijn voor een volk. De afgoderij, het sluiten van de tempel en het zoeken naar menselijke hulpbronnen brachten Juda in grote nood. Toch bleef Gods barmhartigheid zichtbaar, vooral in de tussenkomst van Israëlische leiders die gevangenen van Juda hielpen. De geschiedenis toont dat ware veiligheid ligt in gehoorzaamheid en vertrouwen op de Heere. Hizkia’s latere hervormingen bevestigen dat herstel altijd mogelijk blijft voor wie zoekt naar Gods weg.
Laatst bijgewerkt op 02-12-2025
2 Kronieken 28
1 Achaz was twintig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vaderDavid;
2 Maar hij wandelde in de wegen der koningen van Israel; daartoe maakte hij ook gegotene beelden voor de Baals.
3 Dezelve rookte ook in het dal des zoons van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht derkinderen Israels uit de bezitting verdreven had.
4 Ook offerde hij en rookte op de hoogten en op de heuvelen, mitsgaders onder alle groen geboomte.
5 Daarom gaf hem de HEERE, zijn God, in de hand des konings van Syrie, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte vangevangenen, die zij te Damaskus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand des konings van Israel, die hem sloeg met een groten slag.
6 Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen, omdat zij den HEERE, den God hunnervaderen, verlaten hadden.
7 En Zichri, een geweldig man van Efraim, sloeg Maaseja, den zoon des konings, dood, en Azirkam, den huisoverste, mitsgaders Elkana, den tweede na den koning.
8 En de kinderen Israels voerden van hun broederen gevankelijk weg tweehonderd duizend, vrouwen, zonen en dochteren, en plunderden ook veel roofs van hen; enzij brachten den roof te Samaria.
9 Aldaar nu was een profeet des HEEREN, wiens naam was Oded; die ging uit, het heir tegen, dat naar Samaria kwam, en zeide tot hen: Ziet, door de grimmigheiddes HEEREN, des Gods uwer vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en gij hebt hen doodgeslagen in toornigheid, die tot aan den hemel raakt.
10 Daartoe denkt gij nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; zijt gij het niet alleenlijk? Bij ulieden zijn schulden tegen denHEERE, uw God.
11 Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weder, die gij van uw broederen gevankelijk weggevoerd hebt; want de hitte van des HEEREN toorn is over u.
12 Toen maakten zich mannen op van de hoofden der kinderen van Efraim, Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth en Jehizkia, de zoon vanSallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die uit het heir kwamen.
13 En zij zeiden tot hen: Gij zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen den HEERE; denkt gijlieden toe te doen tot onze zonden en tot onzeschulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte des toorns over Israel is?
14 Toen lieten de toegerusten de gevangenen en de roof voor het aangezicht der oversten en der ganse gemeente.
15 De mannen nu, die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van den roof al hun naakten; en zij kleedden hen, enschoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen, en voerden ze op ezelen, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hunbroederen; daarna keerden zij weder naar Samaria.
16 Ter zelfder tijd zond de koning Achaz tot de koningen van Assyrie, dat zij hem helpen zouden.
17 Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen gevankelijk weggevoerd.
18 Daartoe waren de Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-Semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haaronderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden aldaar.
19 Want de HEERE vernederde Juda, om der wille van Achaz, den koning Israels; want hij had Juda afgetrokken, dat het gans zeer overtrad tegen den HEERE.
20 En Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrie, kwam tot hem; doch hij benauwde hem, en sterkte hem niet.
21 Want Achaz nam een deel van het huis des HEEREN, en van het huis des konings en der vorsten, hetwelk hij den koning van Assyrie gaf; maar hij hielp hem niet.
22 Ja, ter tijd, als men hem benauwde, zo maakte hij des overtredens tegen den HEERE nog meer; dit was de koning Achaz.
23 Want hij offerde den goden van Damaskus, die hem geslagen hadden, en zeide: Omdat de goden der koningen van Syrie hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mijook helpen; maar zij waren hem tot zijn val, mitsgaders aan gans Israel.
24 En Achaz verzamelde de vaten van het huis Gods, en hieuw de vaten van het huis Gods in stukken, en sloot de deuren van het huis des HEEREN toe; daartoemaakte hij zich altaren in alle hoeken van Jeruzalem.
25 Ook maakte hij in elke stad van Juda hoogten, om anderen goden te roken; alzo verwekte hij den HEERE, zijner vaderen God, tot toorn.
26 Het overige nu der geschiedenissen, en al zijn wegen, de eerste en de laatste, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Juda en Israel.
27 En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der koningen van Israel; en zijn zoonJehizkia werd koning in zijn plaats.









