Psalmen 6

0
510
Psalmen 6
Psalmen 6

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith. O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!

2 Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.

3 Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?

4 Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.

5 Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

6 Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.

7 Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.

8 Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.

9 De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.

10 Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.