Home Bijbel dagelijks Oude Testament 04 Numeri Numeri 20: Het water van Meriba en de straf van Mozes

Numeri 20: Het water van Meriba en de straf van Mozes

0
250
Mozes slaat op een rots terwijl water eruit stroomt, met kijkende Israëlieten en bergen op de achtergrond bij zonsondergang.
Mozes slaat de rots in Kades terwijl het volk dorst heeft. Het water stroomt, maar het kost hem het Beloofde Land.

Numeri 20 vormt een kantelpunt in de woestijnreis van het volk Israël. In dit hoofdstuk komen thema’s van geloof, leiderschap en menselijke zwakte samen. Het opent met rouw, kent een beslissend moment van ongehoorzaamheid van Mozes, en eindigt met verlies. Elk deel draagt bij aan de bredere theologie van gehoorzaamheid en heiligheid in de relatie tussen God en Zijn volk.

De dood van Mirjam

Rouw in Kades

Het hoofdstuk begint in Kades, een bekende plek in de woestijn. Hier sterft Mirjam, de zuster van Mozes en Aäron (Numeri 20:1). Haar dood markeert niet alleen het verlies van een profetes (Exodus 15:20), maar symboliseert ook het aflopen van een generatie die de slavernij in Egypte heeft meegemaakt.

Mozes slaat op de rots

Dorst en murmurerend volk

Zonder water komt het volk in opstand tegen Mozes en Aäron. Ze verwijten hen dat zij hen naar een “plaats zonder zaad of vijgen” gebracht hebben (Numeri 20:2-5). Dit type klacht is kenmerkend voor de woestijntijd: een terugkerende strijd tussen vertrouwen in God en menselijke angst.

Gods instructie en Mozes’ fout

God beveelt Mozes om tot de rots te spreken om water te laten stromen (Numeri 20:8). In plaats daarvan slaat Mozes tweemaal met zijn staf tegen de rots (vers 11). Water komt er wel, maar God beschouwt dit als een ernstige daad van ongehoorzaamheid en gebrek aan vertrouwen.

Omdat gij Mij niet geloofd hebt, Mij te heiligen voor de ogen van de kinderen Israëls…” (Numeri 20:12)

Mozes en Aäron krijgen als gevolg te horen dat zij het beloofde land niet zullen binnengaan.

De weigering van Edom

Politieke spanningen

Mozes stuurt gezanten naar Edom, zijn broedervolk (afstammelingen van Ezau), om doorgang te vragen naar Kanaän (Numeri 20:14-17). Edom weigert en dreigt zelfs met oorlog. Israël keert om, een voorbeeld van diplomatie in plaats van confrontatie.

De dood van Aäron

Op de berg Hor

Aäron sterft op aanwijzing van God op de berg Hor, na de overdracht van zijn priesterlijke gewaden aan zijn zoon Eleazar (Numeri 20:22-28). Hiermee wordt het priesterschap overgedragen aan een nieuwe generatie. Zijn dood wordt dertig dagen lang door heel Israël betreurd.

Theologische betekenis

Numeri 20 is een hoofdstuk van verlies, maar ook van continuïteit. De leiders veranderen, maar Gods trouw blijft. Het benadrukt dat zelfs grote leiders zoals Mozes en Aäron onderhevig zijn aan Gods heiligheid. Tegelijkertijd wordt water—een symbool van leven—gegeven, ondanks het falen van de leider. God blijft voorzien.


Numeri 20

1 Als de kinderen Israëls, de ganse vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf aldaar, en zij werd aldaar begraven.

2 En er was geen water voor de vergadering; toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aäron.

3 En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij den geest gegeven hadden, toen onze broeders voor het aangezicht des HEEREN den geest gaven!

4 Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des HEEREN in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?

5 En waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappelen; ook is er geen water om te drinken.

6 Toen gingen Mozes en Aäron van het aangezicht der gemeente tot de deur van de tent der samenkomst, en zij vielen op hun aangezichten; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen hun.

7 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

8 Neem dien staf, en verzamel de vergadering, gij en Aäron, uw broeder, en spreekt gijlieden tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; alzo zult gij hun water voortbrengen uit de steenrots, en gij zult de vergadering en haar beesten drenken.

9 Toen nam Mozes den staf van voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als Hij hem geboden had.

10 En Mozes en Aäron vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zeide tot hen: Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen?

11 Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.

12 Derhalve zeide de HEERE tot Mozes en tot Aäron: Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van Israël, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.

13 Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen Israëls met den HEERE om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.

14 Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den koning van Edom, welke zeiden: Alzo zegt uw broeder Israël: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is;

15 Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.

16 Toen riepen wij tot den HEERE, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste uwer landpale.

17 Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn.

18 Doch Edom zeide tot hem: Gij zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u tegemoet!

19 Toen zeiden de kinderen Israëls tot hem: Wij zullen door den gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrekken.

20 Doch hij zeide: Gij zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand.

21 Alzo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israël van hem af.

22 Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israëls kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.

23 De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aäron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:

24 Aäron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan de kinderen Israëls gegeven heb, omdat gijlieden Mijn mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meriba.

25 Neem Aäron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor.

26 En trek Aäron zijn klederen uit, en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan; want Aäron zal verzameld worden, en daar sterven.

27 Mozes nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen op tot den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.

28 En Mozes trok Aäron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleazar van dien berg af.

29 Toen de ganse vergadering zag, dat Aäron overleden was, zo beweenden zij Aäron dertig dagen, het ganse huis van Israël.