Home Bijbel dagelijks Oude Testament 02 Exodus Exodus 15: Loflied na de doortocht en bitter water te Mara

Exodus 15: Loflied na de doortocht en bitter water te Mara

0
1062
Streetart toont jubelende Israëlieten met tamboerijnen en fluiten na de doortocht, onder een dramatische hemel in barokstijl.
Israëlieten prijzen God met zang en muziek na hun bevrijding, in een expressieve barokke streetartcompositie vol kleur en beweging.

Exodus 15 opent met een overwinningslied dat Mozes en de Israëlieten zingen nadat God hen door de Rode Zee heeft geleid en het Egyptische leger verdronken is. Het hoofdstuk viert Gods macht, trouw en leiding. Daarna trekt het volk verder, maar ontmoet dorst en bitter water – waarop God weer voorziet.

Het lied van Mozes: lof voor Gods macht (vers 1–21)

Mozes en het volk zingen een loflied voor de HEERE. Het begint met: “Ik zal den HEERE zingen, want Hij is hoog verheven!” Ze prijzen Hem omdat Hij het paard en zijn ruiter in de zee geworpen heeft. God wordt bezongen als een machtige krijger die de vijand overweldigt. Zijn rechterhand heeft Israël gered en Hij is hun kracht en lied geworden.

Het lied verhaalt hoe God de Egyptenaren met geweld verdelgde, hoe hun plannen om Israël te verslaan mislukt zijn, en hoe God zijn macht over de zee toonde. De volken zullen beven als ze horen wat God gedaan heeft: de Filistijnen, Edomieten, Moabieten en Kanaänieten zullen beven van angst.

Het lied eindigt met de belofte dat God Zijn volk zal brengen naar Zijn heilige woning, die Hij zelf gevestigd heeft. Mirjam, de zuster van Mozes, grijpt de tamboerijn, en leidt de vrouwen in een lofdans voor de HEERE.

Dorst in de woestijn en Gods voorziening (vers 22–27)

Na het zingen van dit lied trekt het volk verder de woestijn in, onder leiding van Mozes. Ze reizen drie dagen zonder water te vinden. Bij Mara vinden ze eindelijk water, maar het is bitter en ondrinkbaar. Het volk murmureert tegen Mozes. God wijst Mozes een stuk hout, dat hij in het water gooit – en het water wordt zoet.

Op deze plek stelt God een inzeing en geeft Hij een les in vertrouwen. Hij belooft dat als het volk naar Hem luistert, Hij hen zal beschermen tegen de ziekten die de Egyptenaren troffen. Hij openbaart Zich hier als: “Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.”

Daarna komen ze in Elim, waar twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen zijn – een plaats van rust en overvloed.

Slotgedachte

Exodus 15 is een hoofdstuk vol lof, maar ook een les in vertrouwen. Het toont de vreugde van verlossing en de noodzaak om op God te blijven vertrouwen, ook wanneer nieuwe uitdagingen opduiken.


Exodus 15

1

Toen zong Mozes en de kinderen Israels de HEERE dit lied, en spraken,zeggende: Ik zal den HEERE zingen; want Hij is hogelijk verheven! Het paard enzijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.

2

De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijnGod; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God,dies zal ik Hem verheffen!

3

De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam!

4

Hij heeft Farao’s wagenen en zijn heir in de zee geworpen; en de keure zijnerhoofdlieden zijn verdronken in de Schelfzee.

5

De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.

6

O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand,o HEERE! heeft den vijand verbroken!

7

En door Uw grote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen; Gijhebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel.

8

En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; destromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stof gewordenin het hart der zee.

9

De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit delen, mijn zielzal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal henuitroeien.

10

Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder alslood in geweldige wateren!

11

O HEERE! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid,vreselijk in lofzangen, doende wonder?

12

Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!

13

Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert henzachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid.

14

De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenenvan Palestina bevangen.

15

Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen derMoabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaan zullen versmelten!

16

Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zijverstommen, als een steen, totdat Uw volk, HEERE! henen doorkome; totdat ditvolk henen doorkome, dat Gij verworven hebt.

17

Die zult Gij inbrengen, en planten hen op den berg Uwer erfenis, ter plaatse,welke Gij, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, hetwelk Uwhanden gesticht hebben, o HEERE!

18

De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren!

19

Want Farao’s paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, ende HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar dekinderen Israels zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.

20

En Mirjam, de profetes, Aarons zuster, nam een trommel in haar hand; en al devrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien.

21

Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den HEERE; want Hij is hogelijkverheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!

22

Hierna deed Mozes de Israelieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokkenuit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geenwater.

23

Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, wanthet was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara.

24

Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?

25

Hij dan riep tot den HEERE; en de HEERE wees hem een hout, dat wierp hij indat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting enrecht, en aldaar verzocht Hij hetzelve,

26

En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horenzult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, enhoudt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik opEgypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!

27

Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventigpalmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.